Bron: www.dbnl.org
[p. 195]

Levensbericht van Dr. Gerrit van Gorkom.

De uitnoodiging tot het samenstellen van een levensbericht van Dr. G. van Gorkom, die het Bestuur van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde tot mij richtte, was mij welkom.

Gedurende bijna vijftig jaren heeft een onafgebroken vriendschap ons saamverbonden, hebben wij elkanders leven meegeleefd.

Was ik dus in staat uit zijn leven het belangrijkste mede te deelen, het was mij ook een weemoedig genot dat nogmaals aan mij te laten voorbijgaan, en een leven en werken te schetsen dat merkwaardig mag heeten, zoowel om de plaats, die het innam in de modern theologische beweging, als ook om den invloed, die er in wijden kring van uitging.

 

Dr. Gerrit van Gorkom is geboren den 30sten Augustus 1833 te Zutfen, waar zijn vader, Gerrit van Gorkom, gehuwd met Anna Margaretha van der Veen, aan het hoofd stond van een lagere school. Hij heeft zich niet lang in het bezit van zijn ouders mogen verheugen; al te vroeg zijn zij van hem weggenomen. Zijn vader stierf 7 September 1846 en zijn moeder 26 Juni 1847. Tien

[p. 196]

weezen bleven achter en werden door familie en vrienden verzorgd. Gerrit was reeds vroeger opgenomen in het gezin van zijn grootvader van der Veen, instituteur te Borkulo. Hij heeft het ouderlijk huis weinig gekend en na den dood van zijn moeder werd hij opgevoed ten huize van Doctor Gantvoort, een zwager van zijn voogd, eveneens te Borkulo woonachtig. Dr. Gantvoort zou hem opleiden voor de klinische school. Er moest een plattelandsheelmeester uit hem groeien. Zijn broeder Evert, kandidaat in de letteren, nam de leiding zijner klassieke studiën spoedig over. Hij nam hem in September 1849 bij zich in Utrecht en een jaar later in Barneveld, waar hij als extern leeraar op het instituut van den heer Kapteyn werkzaam was. Daar heeft de jeugdige Gerrit zich in korten tijd voor de Akademie gereed gemaakt. In 1851 deed hij staatsexamen te Delft en in September van dat jaar werd hij student in de godgeleerdheid te Utrecht. Van medische studiën was geen sprake meer. Het predikambt lachte hem toe. Het is wel mogelijk dat de liefde tot dat ambt in hem werd opgewekt, als hij logeerde bij zijn oudoom Johannes van Gorkom, predikant te Bennekom (geb. 1768 gest. 1843), maar stellig wees zijn buitengewone aanleg daarheen en heeft zijn broeder Evert met klaarheid gezien dat zijn jongere broeder daar zijn bestemming moest vinden. Deze hoogbegaafde en voortreffelijke man, die met buitengewone zelfopoffering voor de toekomst van drie zijner broeders als een vader heeft gezorgd, maakte dat Gerrit studeeren kon en leidde zelf zijn voorbereidende studiën voor de akademie. Moest G. zich wat haastig voorbereiden, daar het onmogelijk bleek hem een gymnasium geregeld te doen afloopen, onder de leiding van dien broeder kon er van africhten geen sprake zijn. Met welk een geestdrift hij zich aan

[p. 197]

de studie gaf getuigt nog een eigenaardig voorval uit dien tijd. Hij was een groot vriend van Marinus Hoog, thans emerituspredikant te Nijmegen, zoon van den toenmaligen predikant van Barneveld. Zij werkten veel samen in de pastorie. Op zekeren zomeravond waren beiden zoozeer onder den indruk van Hector en Andromache's afscheid bij Homerus, dat zij besloten dien nacht de lectuur voort te zetten. Van Gorkom ging om elf uren naar zijn huis, maar kwam een uur later terug en kroop door het raam van het voorkamertje der pastorie. Beide vrienden hervatten de lektuur en werkten den ganschen nacht door. Van G. raakte telkens over Homerus zoozeer in verrukking dat het de grootste moeite kostte hem te beletten hardop voor te lezen, wat hem trof. 's Morgens om half zes keerde hij langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, naar zijn huis terug1.

Aan de Akademie bewoog hij zich in engen kring. Voor een deel drong hem daartoe ook de zwakke staat van zijn gezondheid. Men was op dit punt zeer bezorgd voor hem, te meer daar hij eens bloed had opgegeven, toen een paar dronken kerels hem op een donkeren avond over een hek hadden gesmeten, maar wie in later jaren den forsch gebouwden, breed geschouderden man aanzag, kan zich die bezorgdheid moeilijk voorstellen.

Hij kwam aan de Akademie op geen gelukkig tijdstip. Met name wat zijne theologische studiën betrof. Hier waren Bouman, Vinke en Royaards zijn leidslieden2. Van hun onderwijs ging weinig bezieling uit en het is zeer te bejammeren dat een zoo ontvankelijke natuur als van v. Gorkom van die hoogleeraren niets ontving, wat aan

[p. 198]

zijn geloofsovertuiging een betrouwbare richting en een wetenschappelijken grondslag kon geven. Maar Opzoomer was er toen in zijn volle kracht; Opzoomer, die gedurende een reeks van jaren, zoo al niet de theologische studiën te Utrecht voor totalen ondergang behoed, stellig daaraan bij het meerendeel der theologen richting en grondslag gegeven heeft. Hij had ook van Gorkom onder de macht van zijn woord en gaf hem ruime vergoeding voor wat hij aan de Hoogleeraren zijner faculteit vruchteloos vroeg.

Na vijf jaren studie aan de Akademie verwierf hij zich 19 Juni 1856 den graad van Doctor in de godgeleerdheid door een dissertatie ‘De Johanne Coccejo, sacri codicis interprete’.

In het volgende jaar werd hij predikant bij de Nederduitsch Hervormde gemeente te Eemnes Binnendijk. 22 Maart 1857 deed hij daar zijn intrede; nadat hij zich den 11den Maart in 't huwelijk verbonden had met Cornelia Adriana Johanna Jansen, dochter van den Delftschen predikant.

Eemnes is in zijn herinnering als een idylle blijven leven. Er was wel groot verschil tusschen de dogmatiek van de rechtzinnige Eemnessers en den modernen geest, die alreede in den jongen prediker was gevaren, maar de gemoedelijkheid en geestdrift, die van zijn prediking afstraalden, en de innige hartelijkheid, die van stonden aan hunnen omgang kenmerkte, doofden de nu en dan oplaaiende twistvuurtjes en baanden voor zijn bezield woord den weg naar hun hart. Zelf herinnert hij ons in zijn Afscheidswoord, hoe 't eenvoudig landvolk met den jongen leeraar meeleefde, met den blijden blij was, met den weenenden weende. En blijde dagen heeft hij daar gekend, al den zonneschijn van een eerste liefde in een overgelukkigen echt en al den zegen van een voortreffe-

[p. 199]

lijken broeder, aan wien zijn vroeg ouderlooze jeugd schier alles te danken had. Maar ook bittere tranen heeft hij daar geschreid. Reeds na weinig maanden (8 Aug. 1857) ontviel hem die broeder, daarna een zuster en spoedig daarop zijn beminnelijke vrouw kort na de geboorte en dood van hun kind. Toen, zoo verhaalt hij ons, ‘baden en schreiden zij met hun vriend, gelijk zij te voren met hem gedankt en zich verblijd hadden. Al waren die van Eemnes dus rechtzinnig in de leer, en al wisten of vreesden ze dat hun predikant het niet was, er moet dan in beiden toch iets gestraald en geleefd hebben dat, als alle licht en leven, in de zedelijke zoowel als in de physieke wereld, aan elke leer van menschen voorafgaat en alle theorie zal overleven, omdat het, in bijbeltaal gesproken, ‘uit God is en niet uit de menschen, en dus het machtigste onder al wat macht heeft op aarde, het blijvende bij al wat komt en gaat.’

Zoo blijkt al aanstonds dat zijn prediking haar groote kracht ontleende aan zijn rijk gemoedsleven, dat ondanks scherp verschil in de leer, bij het eenvoudig landvolk van Eemnes diepen weêrklank vond.

Vier jaren heeft hij daar gearbeid. Inmiddels trad hij op nieuw in het huwelijk en verbond zich 12 Mei 1859 met Sara Jacoba Suzanna Carolina Laan, die in een hoogst gelukkigen echt met innige liefde hem tot haren dood op 5 April 1894 trouw ter zijde stond.

In 1861 werd hij naar Leiden beroepen en deed er zijn intrede op den 5den Mei. Toen brak er voor zijn prediking een geheel ander tijdperk aan. In de wereld van het godsdienstig denken en gevoelen was in de laatste jaren een beweging aangegroeid, die door haren grooten omvang en diepe beteekenis al 't karakter droeg van een omwenteling. In de stille dorpspastorie had ook hij -

[p. 200]

verhaalt hij zelf - die beweging op zijne wijze gevolgd en gaandeweg meer en meer er den invloed van ondervonden. Hoe kon het anders? De lucht was zwaar van levenwekkende bestanddeelen. In vele landen. In meer dan één werelddeel. Alom een vragen naar meer of ander licht dan de kerken lieten schijnen. Licht over de bladen der gewijde schrift. Licht over gewaande en wezenlijke raadselen in het leven. Licht, vooral over elke aanspraak op geloofwaardigheid. Het was als een storm van ‘hartstocht der werkelijkheid’ die over het aardrijk henenvoer1.

Het was het ontwaken van den modernen geest. Zoo mocht hij in Leiden zijn werk aanvaarden op het allergunstigst tijdstip, toen ook in de gemeenten de moderne beweging merkbaar werd, toen 't bij vragen naar licht niet bleef, maar over Bijbel en Christendom, over godsdienstig en zedelijk leven een licht opging, dat niet angstig werd weggesloten achter de luiken van de studeerkamer der geleerden, maar hoog opvlamde voor aller oog. Een licht dat aan rustige, ernstige wetenschap ontstoken, het kerkgeloof verschrikte en in steeds wijder kring van vrije protestanten met gejuich werd begroet als de dageraad van den nieuwen dag, waarin men vroom kon zijn zonder bijgeloof, den bijbel kon vereeren als het klassieke boek van den godsdienst zonder zijn wetenschappelijk geweten geweld aan te doen en de slotsommen van de wetenschap kon aanvaarden zonder van zijn godsdienstige levensbeschouwing iets wezenlijks prijs te geven.

Hadden, naar van Gorkom zelf ons mededeelt2, in de Eemnesser jaren vooral Peter de Génestet, Conrad Busken

[p. 201]
Huet en Allard Pierson hem met den modernen geest gedoopt, nu kwam hij in het centrum van de theologische wetenschap in ons vaderland, nu in den vriendschappelijken omgang met de hoofdmannen der moderne richting, met Scholten, Kuenen, Tiele, Rauwenhoff en anderen. IJverig lid werd hij van den theologenkrans, waarop de hoogleeraren der theologie en de predikanten geregeld bijeenkwamen om er de resultaten van hun studie mede te deelen en de theologische vragen van den dag te bespreken.

Ook met de koryfeeën der andere faculteiten kwam hij in voortdurende rechtstreeksche aanraking.

Van alle kanten straalde licht hem tegen en verwarmde hem de gloed der geestdrift voor de waarheid, op bijgeloof en bekrompenheid veroverd.

Als hij aan 't einde van zijn loopbaan aan dat verblijf te Leiden terugdenkt, dan roept hij nog in verrukking uit: ‘Dáár scheen de stroom van het geestesleven eerst recht te gaan bruisen, te zwellen bij den dag. O, welke schoone jaren zijn die zeven jaren te Leiden voor mij geweest! Als de wonderheerlijke lucht der Alpen was daar de geestesadem van Neerlands groote mannen te dier tijde. Het was een tijd vol bezieling, vol zoeken naar ‘het hoogste’. O, eer ik u vergete, gij geestelijke dagen van eertijds!’1.

In 't begin van dat tijdperk schreef hij in de Nieuwe Jaarboeken voor wetenschappelijke theologie zijn kritiek op de verhandeling van den Remonstrantschen predikant van Teutem, getiteld: ‘Een blik in den eersten brief van Petrus.’

Met Kuenen, Rauwenhoff, Scheffer, Hagen en Maronier

[p. 202]

hield hij populaire voorlezingen. Hij zelf sprak o.a. over geloof en geloofsleer; over de vraag hoe Jezus door zijn volk is opgenomen, en hield de laatste lezing over het moderne Christendom, den strijd onzer dagen en de uitzichten in de toekomst.

Zeven jaren had hij in dien bezielenden dampkring geleefd, toen hij beroepen werd naar de Nederduitsch Hervormde gemeente te Amsterdam.

Er lag in die beroeping naar de hoofdstad voor hem een groote bekoring. Maar, er was nog een andere omstandigheid, die hem vooral tot aannemen heeft genoopt. 't Beroep op hem uitgebracht, was 't laatste geweest volgens het oude stelsel. Door de invoering van Art. 23, Algemeen Reglement van de Nederlandsch Hervormde kerk, zou voortaan niet langer de kerkeraad, die zelf in zijn vacaturen placht te voorzien, maar het door de stemgerechtigde leden der gemeente verkozen kiescollege de beroeping uitbrengen. En hij begreep dat, nu de meerderheid in dat college orthodox werd, geen man van den modernen geest meer zou worden binnengehaald. Deze voorspelling is uitgekomen. Na van Gorkom zijn tot heden geen andere dan orthodoxe predikanten in de Ned. Herv. gemeente te Amsterdam beroepen.

29 April 1868 deed hij zijn intrede te Amsterdam.

Nam hij noode afscheid van de Leidsche gemeente en van den professoren- en predikantenkring, ook in Amsterdam kwam hij in uitgelezen gezelschap. Ook daar vond hij een geestelijken dampkring, waarin 't een lust was te ademen. De hoogleeraren Loman en Hoekstra, zijn ambtgenooten Reinhard Hugenholtz en Herman Hugenholtz, van Bell, Stricker, Berlage, Meyboom en Pantekoek, ziedaar, om van anderen te zwijgen, mannen, die hem met vreugde welkom heetten en wier omgang hem een ruime

[p. 203]

vergoeding aanbood voor wat hij in Leiden achterliet. Aan den theologischen krans, waartoe o.a. Hoekstra, de gebroeders Loman en Hugenholtz behoorden, nam hij niet aanstonds deel. Ook de uitnoodiging tot een anderen krans, waar o.a. Meyboom, Pantekoek en Ternooy Apel in waren, sloeg hij af; maar dat belette hem niet gezamenlijk met zijn geestverwanten een ijverig deel te nemen aan de moderne beweging en strijd en aan de daaruit voortgevloeide populaire voordrachten over de godsdienstige vragen des tijds in de Vereeniging tot bevordering van zelfstandig godsdienstig leven. Hij streed met mond en pen. Nog in Leiden had hij in den Tijdspiegel van 1867 en 1868 een degelijk protest geplaatst tegen de brochure van Dr. J. Cramer, ‘De illusie der moderne richting’. In 1871 schreef hij in Los en Vast, onder den titel van ‘Dr. Kuyper en het Modernisme,’ een even geestige als scherpzinnige weerlegging van Dr. Kuypers aanval op de moderne richting in zijn bekende verhandeling: Het Modernisme een Fata Morgana op christelijk gebied.

Voegen wij hierbij dat hij bij zijn bezoeken aan de gemeenteleden en vooral in den kerkeraad, die welhaast zijn vrijzinnige leden verloor, met de orthodoxie herhaaldelijk in botsing kwam, o.a. toen 17 ouderlingen weigerden bij de aanneming tot lidmaat van de leerlingen der moderne predikanten tegenwoordig te zijn; verstaan wij dat hij, licht ontvlambaar, ook op den kansel den tegenstander niet altijd sparen kon, dan begrijpen wij dat hij in zijn afscheidswoord van dat zevenjarig tijdperk (1868-1875) weinig meer dan de heugenis aan een voortdurend strijdvoeren had bewaard. Het werd hem ten slotte te zwaar. Strijdvaardig mocht hij zijn, strijdlustig was hij niet. Dat het tusschen hem en de Neder-

[p. 204]

landsch Hervormde kerk op een scheiden moest gaan, werd in den loop der jaren duidelijk, altijd meer. De strijdende kerk op aarde is wel een geliefde uitdrukking, en klinkt plechtig óók, doch voor mij zelven - zegt hij1 - kreeg ik meer en meer 't gevoel dat in de strijdende kerk dier dagen mijne ziel begon schade te lijden. Menigmaal, als men om een scherp woord op den kansel of in een vergadering mij had toegejuicht, voelde ik mij onrustig, straks ongelukkig.

Toen dan ook in 1875 de Remonstrantsche gemeente te Amsterdam hem beriep, was zijn besluit spoedig genomen. Tot haar voelde hij zich machtig aangetrokken, want die Broederschap, die geen kerkleer oplegt, geen enkel leerstuk, geen Godsbegrip, geen wereldbeschouwing, geenerlei oplossing van godgeleerde vraagstukken voorschrijft, maar die aan eigen onderzoek overlaat en alleen instemming vraagt met de godsdienstige en zedelijke grondgedachten, die in het Christusbeeld belichaamd zijn; die Broederschap die daarbij volle vrijheid waarborgt, de eerbiediging dier vrijheid van allen jegens allen eischt en evenals de Vrije gemeente het ideaal zoekt van ondogmatische vroomheid, van vrij godsdienstig leven en van zedelijk idealisme, heeft het gevaar uitgesloten voor het kerkelijk getwist, dat in de Ned. Herv. kerk altijd weer opvlamt.

Op den 30sten October 1875 deed hij zijn intrede in de Remonstrantsche gemeente. Die dag was naar zijn eigen getuigenis de eerste dag van een nieuw leven voor hem, de eerste van een reeks gelukkige jaren. Gelukkig, wijl ze hem, altijd door, een werkkring brachten, de edelste inspanning zijner beste krachten overwaard. Gelukkig,

[p. 205]

wijl ze hem voor goed aan een strijdgewoel onttrokken, waarin zijne ziel zich nooit recht had kunnen vinden, waarin hij ze op den duur, wel mogelijk, zou hebben verloren1.

Bijna twee-en-twintig jaren was hij in de Remonstrantsche Broederschap werkzaam. Toen - meende hij - was de tijd voor hem gekomen om zijn predikambt neer te leggen. Op den 25sten April 1897 nam hij afscheid. Veertig jaren had hij in dien werkkring gearbeid. Hij wenschte zijn taak nu aan jonger kracht te zien toevertrouwd. Een werkelooze rust beoogde hij niet. Dat kon van hem ook niet verwacht worden. Een man, zoo belangstellend in de groote levensvragen, zoo beslist meêlevend het groote wereldleven, zoo vurig van geest, kon niet werkeloos blijven. Al waren zijn dienstjaren vervuld, er zou voor hem, zeide hij bij zijn heengaan, nog wel te dienen overblijven, in een wereld waar aan dienaars meer dan aan heerschers behoefte is. En te werken desgelijks. Ook een ‘rustend leeraar’ kan wel lid blijven van dien werkenden stand die, gelijk het koninkrijk Gods, niet hier en niet daar is, maar in alle standen2.

[p. 206]

Zijn openbaar werk bestond nu in het herhaald optreden voor vrijzinnige gemeenten, die hem telkens met aandrang daartoe uitnoodigden. Van de voortzetting zijner studiën kwamen alleen zijn voortreffelijk artikel in de Gids van Febr. 1899 over David Friedrich Strauss en een geestige lezing over Erasmus, in de Vrije Gemeente en elders voorgedragen, aan het licht.

Meer bracht zijn vroeger zoo vruchtbare geest niet tot stand. Langzamerhand begon hij meer en meer op te zien tegen het optreden in het openbaar. Wel mogelijk dat de ziekte, die hem ten grave sleepte, al veel vroeger hem ondermijnde.

Na zijn emeritaat heeft hij bij afwisseling gewoond in Amsterdam, aan de Steeg, in Bussum en ten slotte in den Haag, waar hij na langdurig kwijnen den 14den Januari 1905 overleed.

 

Van Gorkom was een eigenaardige figuur onder de modernen. Hoog stak hij uit boven het middelmatig peil en ofschoon hij dankbaar erkende dat zijn theologische vorming den invloed van Scholten, Opzoomer, Kuenen en anderen had ondergaan, handhaafde hij toch een zekere oorspronkelijkheid. Zijn groote kracht lag niet 't aller-

[p. 207]

meest op het gebied der theologie, ofschoon hij hier waardevolle bijdragen geleverd heeft. Wij herinnerden reeds aan zijne dissertatie over Coccejus, aan de bestrijding van v. Teutem, van Cramer en van Kuyper. Terwijl hij hier toonde degelijke theologische kennis te bezitten, verkreeg zijn arbeid langzamerhand meer het karakter van een populaire verdediging van de moderne richting en bleek hij alras een meester te zijn in de polemiek zoo rechts tegen de orthodoxie als links tegen de vrijdenkerij.

Het voornaamste daarvan staat te lezen in Los en Vast.

Dat tijdschrift, dat van 1866 tot 1891 bestond, is de hoofdron, waaruit de kennis van zijn theologischen en letterkundigen arbeid moet worden geput. De eerste jaargang 1866 kwam uit onder den titel ‘Los en Vast uit de briefwisseling van een student’. De namen der redacteuren werden verzwegen, maar het was weldra geen geheim meer dat Dr. G. van Gorkom, Dr. H.G. Hagen, Dr. J. Knappert en Dr. W. Scheffer, destijds de jongste vier predikanten bij de Ned. Herv. gemeente te Leiden, de redactie op zich genomen hadden. Het tijdschrift nam dadelijk deel aan den strijd. In den aanvang moesten nevens van Vloten vooral Pierson en Huet 't ontgelden en had het allen schijn of de redactie op die beide laatsten gebeten was, omdat zij hun predikambt neergelegd en de kerk verlaten hadden. Met nadruk verzet van Gorkum in zijn ‘Herinneringen’1 zich tegen die bewering. Hij verwijst naar den eersten jaargang pag. 121, waar Kees van Effen aan Jan de Wit schrijft: ‘Ik hoor nu dat Peter aan zijn boekverkooper heeft verzocht geen Huetjes meer te sturen. Da's een wijze zet. Een mensch

[p. 208]

moet in deze dagen van runderpest en cholera en pseudohumanisme voor zijn gezondheid zorgen.’

‘Daar hebt ge 't’, voegt v.G. er aan toe.

Op het pseudo-humanisme viel alle nadruk. Niet dat Huet en Pierson de kerk verlieten, maar dat Pierson in 't Aprilnommer van den Tijdspiegel 1865 aan het slot van zijn artikel over de Pauselijke Encyclica op 't onverwachtst en volmaakt apodictisch den ondergang van den godsdienst kwam verkondigen, na zijn machtspreuken over de onbestaanbaarheid van den godsdienst de kansels van christengemeenten besteeg, dat in zijn ‘Woord aan mijn laatste gemeente’ zooveel onbekookts en zooveel kilheid werd gevonden, in een volgende brochure (De moderne richting en de kristelijke kerk) zijn toon al hooger, zijn geloof aan een zedelijke bestemming des menschen al zwakker werd, wekte de verontwaardiging en strijdlust der redactie. En tegen Huet ontbrandde hun ijver, omdat hij in zijn ‘Ongevraagd advies (1866)’ verklaarde: ‘Er is in de jongste twee geschriften van Dr. Pierson niets wat ik niet liefheb’.

Er blijft nu, schrijft v.G.1, voor Los en Vast niets over dan hem en Pierson voortaan met gelijken afkeer te beschouwen en te behandelen.

Merkwaardig intusschen is de even eerlijke als scherpe kritiek, waaraan v. Gorkom in zijn Herinneringen dien eersten jaargang, waaraan hij zoo'n groot deel had bijgedragen, onderwerpt.

Waren zij tot schrijven gedrongen door liefde voor beginselen, die men heilig en gehoond achtte, liefde ook voor mannen die men vereerde en miskend zag2, hij erkende

[p. 209]

dat er veel mins in het boekje was, dat het trilde van haat. Dit aan het adres van Huet, die aan zijn vrouw schreef dat hij het boekje te min vond om er tegen te velde te trekken,

Gaf het van blinde kerkliefde al geen getuigenis, hij gaf toe: van verblindheid tegenover Piersons deugden en talenten zooveel te meer.

En had Dr. Jan van Vloten hen geprikkeld toen hij ‘de moderne theologie erger dan jenever’ noemde, hij gelooft dat, zoo men reeds toen daarin den hartstocht van zeker idealisme had kunnen speuren, dit den landsvrede ten goede ware gekomen. Indien zij toen reeds in staat geweest waren in wat zij pseudo-humanisme noemden een soort idealisme te herkennen, zij zouden zich zelf en menigeen in den lande heel wat ergernis bespaard hebben1.

Maar, zegt hij tot verontschuldiging: Het was een booze tijd. Er was moreele verblinding aan weêrszij. En als zelfs een man als Huet zich kon laten verleiden tot een krenking (van Scholten) zoo ‘min’, hoeveel te begrijpelijker wordt het dan dat jonge mannen van minder hooge geestesorde een polemiek gingen voeren, waarvan zij eenmaal het zwakke, min-edele zouden zien!

[p. 210]

Met Huet was hij spoedig weer verzoend. Heel zijn hart dorstte daarnaar. Ik schreef hem, zoo verhaalt hij1, en onmiddellijk volgde zijn antwoord: ‘Kom den Zondag bij ons op Sorghvliet doorbrengen’. Nimmer vergeet ik dat weêrzien aan 't station te Haarlem. Hoe wij elkaar de hand drukten! Hoe wij ons haastten om uit het gewoel te komen! Hoe wij langzaam voetje voor voetje naar zijn villa wandelden! Hoe wij heel den weg over, daarna tot lunchtijd in 't prieel van zijn huis het hart aan elkaar ophaalden ... en aan zooveel menschen en dingen, ons beiden dierbaar! Hoe lang is dit alles geleden ... en hoe doorleef ik weêr alles als ware 't pas gisteren geschied! ...’1 Hij schreef dat 24 jaren later, in 1891.

Deze verzoening belette hem evenwel niet om later in zijn kritiek op Lidewijde, Huet op literair gebied heftig aan te vallen, maar ook daar erkent hij dat hij hem vroeger miskend, hem zijn zonden niet zelden hoog aangerekend en zijn verdiensten geïgnoreerd heeft. We zijn, zegt hij, sedert een jaartje wijzer en - ik hoop - beter geworden. Er is tijd geweest om van weerszijden het ‘te vurig’ wat af te koelen.

Langer duurde het eer hij 't met Pierson weêr vinden kon. Maar eindelijk werd hij ook te zijnen aanzien rechtvaardig. In Los en Vast 1873 schrijft hij over Piersons Nieuwe reeks van Intimis: ‘Bij alles wat mij in die nieuwe reeks maar half of in 't geheel niet bevallen wilde, was er zooveel dat mij trof als diep gevoeld en edel gezegd. O zeer veel! Het is onmogelijk Pierson te lezen en niet den machtigen indruk te ontvangen dat men in goed gezelschap is.’ En deze woorden zijn het begin eener uitvoerige en hoogst waardeerende karakte-

[p. 211]

ristiek van den man, door wien hij zich vroeger toch zoo diep gegriefd had gevoeld.

Zoo hadden de Leidsche predikanten den eersten jaargang gevuld.

Bij den tweeden jaargang kromp de titel in tot ‘Los en Vast’. De fictie ‘Uit de briefwisseling van een Leidsch student’, werd prijs gegeven. Zij was een misgreep geweest. Ondanks de studentikositeiten en uitstapjes naar ander terrein was Los en Vast terstond een strijdschrift van de moderne richting. En dat is 't voor een deel gebleven, ofschoon ook aan zuiver letterkundige studiën een breede plaats werd ingeruimd.

Inmiddels was er een groote verandering in de Redactie gekomen. Na de verschijning van de derde aflevering 1867 ging het oorspronkelijk gezelschap uiteen. Van dien tijd tot het einde van 1874 zijn van Gorkom en H. de Veer, die reeds aan den tweeden jaargang had medegewerkt, de schrijvers van Los en Vast geweest. De Veers hulp was ingeroepen om een allerheilzaamst element in hunnen kring te krijgen, allereerst een correctief voor hunnen polemischen ijver, maar nu redigeerden zij beiden te samen alleen. Gedurende die zeven jaren waren slechts drie opstellen niet van hen. Simon Gorter schreef 1873, bl. 229, over het verband tusschen godsdienst en zedelijkheid; een opstel door zijn weduwe uit zijn nagelaten papieren ter beschikking gesteld, en de schrijver van dit Levensbericht gaf in 1869, bl. 374, ‘De vrijdenker’, volgens Mr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, en in 1873, bl. 119, onder den titel ‘Waarlijk modern?’ een kritiek op het opstel van Dr. l'Ange Huet over het standpunt der modernen. Al de andere opstellen gedurende die zeven jaren zijn van v. Gorkom of van de Veer en op één na allen ongeteekend. Gelukkkig heeft

[p. 212]

van Gorkom in zijn eigen exemplaar aangeteekend welke van zijne hand zijn.

Aan het slot van den jaargang 1874 bericht hij dat de Redactie in andere handen zou overgaan. Waarom zij 't opgaven? Omdat, zegt hij, er een tijd van gaan is, zoowel als van komen, er valt wezenlijk niets meer van te zeggen. Niets ten minste wat voor publiek ook maar eenigszins belangrijk zou zijn1.

Toch laat hij kort daarop een eenigszins nadere toelichting volgen, die vooral merkwaardig is, omdat zij de wederzijdsche verhouding van beide redacteuren in een eigenaardig licht zet.

De zaak, zegt hij, was deze. Van den aanvang af had de Veer wat te veel op mijn nazien van zijn copie vertrouwd en de eindredactie van alles aan mij overgelaten. Bij het aangroeien van zijn werkkring als dagbladredacteur werd de copie ..... wel niet minder geestig en belangrijk, maar al minder ordelijk.

‘Je mag er in veranderen wat je wilt’ klonk het gul verlof ..... Hoe meer ik evenwel snoeide en rangschikte, te rustiger liet hij 't er op aankomen. Op den duur ging 't zoo niet. Ook mijn werkkring werd grooter en mijn eigen copie gaf me zorg genoeg. Kwam dan de zijne, vol grata negligentia, dan knorde ik .... en hij speelde komisch den verongelijkte. ‘Je begrijpt je positie niet,’ heette het dan bijvoorbeeld. Ik geef je een Amerikaansch woud en jij maakt er een Zaandamsch slatuintje van.’ En ondertusschen moest ik blijven tuinieren ..... Wat zouden wij doen? Een derde in onzen bond nemen: dit scheen ons geen redmiddel. In onze twee-eenheid had de

[p. 213]

bekoring van het samenwerken gelegen. Ging 't zóo niet langer, dan moest het maar langer niet gaan.

Zoo kwam het einde van den gemeenschappelijken arbeid, waarvan de herinnering in mijn leven niet eindigen zal’1.

Mocht iemand hieruit willen afleiden dat de medewerking van de Veer niet veel om 't lijf had, dan leze hij de ‘Herinneringen’ in haar geheel en hij zal zien hoe van Gorkom de zeer groote verdiensten van de Veer's bijdragen in helder licht stelt en daaraan alle hulde bewijst.

De volgende jaargangen werden geredigeerd van 1875-1880 door Jo de Vries met medewerking van Aart Admiraal, A.G. van Hamel, C. van Nievelt e.a.; 1880-1884 door A.G. van Hamel met medewerking van W.G.C. Byvanck, J. van Loenen Martinet, C. van Nievelt, Jo de Vries e.a.; 1884-1894 door Mej. A.G. de Leeuw en 1894-1896 door F. Lapidoth2. Het weinige, dat van Gorkom in die twintig jaren inzond, was door hem onderteekend.

Het ten slotte sterk afnemend debiet dwong tot opheffing der uitgave.

In 't geheel heeft hij 67 opstellen in ‘Los en Vast ’ geschreven, waarvan 58 tusschen 1866-1875. Zijn vruchtbaarste periode eindigde dus aan het einde van 1875.

Dat in die 67 opstellen groote verscheidenheid heerschte laat zich vermoeden. Het leeuwendeel wordt evenwel volstrekt niet door theologische polemiek ingenomen. Wel is overal de grondtoon de vrijzinnig godsdienstige wereld- en levensbeschouwing en ligt niet zelden ook daar de toetssteen der uitgeoefende kritiek, maar verreweg de

[p. 214]

meeste opstellen gaan buiten de theologie om. En waar ze op dat gebied zich bewegen, daar is 't wederom in opmerkelijke verscheidenheid.

Aan de rechterzijde zijn het, om de voormannen der orthodoxie te noemen, Doedes, van Oosterzee, Kuyper, die hij heftig bestrijdt; ook Prof. P. Hofstede de Groot, een der stichters van de Groninger richting, moet het ontgelden; maar straks keert hij zijn zwaard niet minder gelukkig naar links en had hij reeds in de beide eerste jaargangen met van Vloten, Huet en Pierson afgerekend, nu neemt hij de Dageraadsmannen onder handen en brengt ons even op het terrein van den strijd, naar aanleiding van Strauss' ‘Alter und neuer Glaube’ ontbrand.

Daarnevens komt nu een reeks letterkundige opstellen. Romans, die opgang maakten of in ieder geval tot de teekenen des tijds behoorden, onderwerpt hij naar vorm en inhoud aan een scherpzinnige kritiek, met name Adriaan de Mérival van Pierson, Lidewyde van Huet, de Horse van v. Bemmel Suyck, Agnes van Francisca Gallée, Hilda van Constantijn. Ofschoon hij den vorm dier letterkundige producten volstrekt niet verwaarloosde, de inhoud ging hem nog meer ter harte. Men kon 't verwachten van den man die niet dweepte met het L'art pour l'art. Dien inhoud mat hij aan den maatstaf zijner diep religieuse en ethische levensbeschouwing, maar wie mag hem daartoe 't recht ontzeggen? of beweren dat zijn kritiek daarmee buiten de letterkunde omging?

Voorts ontgaat niets belangrijks in het openbaar leven zijn aandacht. In zijn kritiek op Jozua Davids bespreekt hij uitvoerig het socialisme. Het antisemitisme en spiritisme, de weezenverpleging, de kerk aan boord en de

[p. 215]

dierenbescherming ontlokken hem opstellen vol bondige kritiek en gezonden humor.

Soms treedt hij op voor miskende landgenooten. Met vlijmend sarcasme verdedigt hij Prof. Kaiser tegen boekverkoopersreclame en Haverschmidt tegen Sachse. En nooit heeft - al behoefde hier geen miskenning gewroken te worden - dieper gevoel zijn pen bestuurd dan in zijn ‘In Memoriam’, een woord ter nagedachtenis van Prof. van Hengel. Een aandoenlijk schoone tegenhanger van dit woord is wat hij in de hervorming van 28 Mei 1898 schreef tot herinnering aan F.C.A. Pantekoek, die toen juist twintig jaar geleden gestorven was1.

[p. 216]

Tot ‘Los en Vast’ beperkte zich in hoofdzaak zijn letterkundige arbeid. Wel gaf hij in 1899 in de Gids een opstel over D.F. Strauss, dat, hoewel op 't laatst van zijn leven geschreven, nog even frisch, natuurlijk en pittig bleek als de opstellen uit zijn besten tijd, maar bij dat eene bleef het en een geestige en degelijke voordracht over Erasmus, in Amsterdam op den krans en in de Vrije gemeente, daarna ook in Nijmegen gehouden, is ongelukkigerwijze nooit in druk verschenen.

Een ongemeen schrijverstalent komt in al deze opstellen te voorschijn. De taal is bij uitstek zuiver Nederlandsch; de stijl verraadt een volkomen meesterschap over stof en vorm. Zijn onderwerp geheel beheerschend weet hij, schijnbaar maar pratend wat hem voor den mond komt, precies wat en hoe hij dat zeggen moet. Zijn door fijnen humor gekleurd scherpzinnig oordeel

[p. 217]

over geschriften en personen, over misstanden in kerk en maatschappij, komt tot ons in een vorm, die tot luisteren dwingt, en verklaart almee den verbazenden opgang die aan ‘Los en Vast’ te beurt viel.

Bovenal was van Gorkom een spreker1, spreker op den kansel, spreker op de tribune, spreker in den gezelligen kring. Hij was een geboren spreker. Niets dat van zijn voortreffelijken aanleg klaarder aan het licht kwam. Niets wat hij liever deed. Hij was in den gezelligen kring zoo onderhoudend met zijn vroolijke scherts, met zijn gezond enthusiasme, met zijn geestige verhalen, waarbij zijn ijzersterk geheugen hem goede diensten bewees.

Zijne populair theologische voordrachten in Leiden en Rotterdam zijn reeds vermeld. Op de vergaderingen der moderne theologen, sinds 1866 in Amsterdam onafgebroken in de tweede week na Paschen gehouden, sprak hij menigmaal. Ook daar was hij een persona grata en in een oogwenk beheerschte zijn pittig woord den drom der theologen. Bij theologische vraagpunten bleef hij meestal buiten het debat. Het religieus of ethisch literaire werd hem toevertrouwd. Zoo o.a. gaf hij een inleiding op het debat over Montégut's regel: ‘L'artiste peut tout oser à la condition d'oser avec sincérité et profondeur,’ en over Hamerlings woord: ‘Menschlich und edel ist das Gute, göttlich und unsterblich aber das Schöne.’

Maar op den kansel stond hij in zijn volle kracht. Veel preeken heeft hij niet laten drukken. Op verzoek van den uitgever gaf ook hij zijn Bundel in ‘Neerlands Kansel’ en buitendien hier en daar een preek, zooals in de Groene Preeken, de Taal des Geloofs, in 't Godsdienstig Album, in 't Christelijk Album en afzonderlijk.

[p. 218]

Hij trad op in den bloeitijd der moderne prediking en stond in de eerste rij der mannen, die hier aan den ouden sleur een eind gemaakt hebben. Tot dusver werd het kerkpubliek, ook wel door min of meer vrijzinnige predikanten, gemeenlijk onthaald, eerst op een breede exegese van den text en een uitvoerig relaas van het textverband, daarna op de vooraf aangekondigde liefst drieledige uiteenzetting van de in den text vervatte waarheden en ten slotte op de toepassing. Met dien stijven vorm is allermeest door moderne predikers gebroken. Van Gorkom behoorde tot de besten van wie elk keurslijf van zich afwierpen en hun onderwerp, al of niet aan een bijbeltext ontleend, in vrijen gedachtengang bespraken. Er waren er wel die hierin de ontaarding der gewijde kanselwelsprekendheid in een wereldsche causerie zagen; de waarheid is dat in dien losseren vorm diepgevoelde overtuiging en vurige geestdrift veel gemakkelijker een uitweg vonden. Men stond veel vrijer dan vroeger tegenover den text. Het onderwerp, in de eerste plaats uit het eigen binnenste opgeweld, werd niet alleen door het Bijbelwoord toegelicht, maar vooral onder 't licht gebracht, dat de levenservaring uit den tegenwoordigen tijd daarop wierp. En wat nu die wereldsche causerie betreft, hel galmend gerucht der zoogenaamde kanselwelsprekendheid van vroeger dagen zocht men hier tevergeefs; vooral van Gorkom haatte dat en alle holle frasen met hartgrondigen haat. Eenvoud kenmerkte zijn woord, dat zich niet zelden verhief tot de hoogste sfeeren der heiligste geestdrift. Veelal, later meer dan in den beginne, improviseerde hij en liet hij zich gaan1. Het verleidde hem

[p. 219]

soms tot uitweidingen, die met zijn onderwerp niet altijd in rechtstreeksch verband stonden, maar niet lang duurde het of hij keerde daartoe weer terug. Hij was een voortreffelijk improvisator. Het was als waren zijn gedachte en woord schier tegelijkertijd juist nu opgeweld uit zijn hart, al wist men dat hij zich ernstig had voorbereid. En liet hij zich gaan, dan durfde hij alles aan, versmaadde geen fijne scherts, geen verrassende woordspelingen, geen verhalen van eenvoudige ontmoetingen, en bleef bij dat alles binnen de perken van den goeden smaak. Dan ook in lyrische ontboezemingen, in stoute in vallen, in hartstochtelijke uitvallen, in hooge geestvervoering vloeide een stroom van kostelijke gedachten van zijn lippen.

Uit zijn preeken straalde een diep religieuse geest. Zelden polemiseerde hij tegen orthodoxie, maar hij was heftig tegen den vulgairen materialist. Godsdienstloosheid in iedere gedaante weerstond hij in 't aangezicht. Zelf stond hij vast in zijn eenvoudig godsdienstig geloof en in zijn stille hoop der onsterfelijkheid. Heeft hij den twijfel gekend, hij liet er niets van merken, hij overwon dien al profeteerend. Hier deed hij dikwijls denken aan de door hem geliefkoosde spreuk van Pascal: ‘Le coeur a ses raisons, que la raison ne connaît point.’ Het was hem vooral om opbouwen te doen, Reeds in 1866 verklaarde hij1 ‘het gevaar dreigt dat veler godsdienst uit het hart naar het hoofd wordt verplaatst en ophoudt in vollen nadruk een levensbeginsel te zijn, waaruit zich een rein, edel, harmonisch menschenleven kan ontwikkelen. Het wordt inderdaad voor de nieuwe richting tijd, wil zij nog eenmaal een bezielend

[p. 220]

element in onze kerk worden, het wordt dan tijd dat zij van het feestmaal harer kritische vreugden opsta en in heilige zelfbeproeving vrage: Wat is er nu van mijn godsdienst, van mijn liefde voor den Heer onzen God?’

Tegenover de wereld en het leven was hij wars van alle pessimisme. Duidelijk schrijft hij in dien geest: ‘Is er op de vergenoegden wel wat aan te merken, voor wie ‘tout est pour le mieux dans le meilleur des mondes,’ veel minder nog zult ge u, hoop ik, met de pruttelaars vereenigen, die ‘deze wereld’ ellendiger vinden dan ‘geen wereld’. Slechter gidsen ken ik er geen. En gij? Zoo het optimisme der zwakhoofden en kleingeestigen u een verdriet is, bijwijlen schier onuitstaanbaar, wat ondervindt ge, welk gevoel bekruipt u tegenover zoovelen, die niets dan satiren ten beste geven waar 't den strijd der menschheid geldt?

Hoe zult gij ze noemen, die, onder 't gedruisch van hun sarcasmen, onder 't weerklinken van hun wanluidenden lach, ons willen slepen en voortduwen naar het graf aller hoop? Of hebt gij geen naam voor hen? Welnu, laat ze varen!

Geloof gij in het leven en leef uit dat geloof!1

Door zijn gezond religieus optimisme had zijn woord voor lijdenden, bedroefden, afgedwaalden een groote bekoring.

Zijn moraalpreeken getuigden van fijne menschenkennis en grondige karakterstudie. Hij heeft blijkbaar goed rondgezien in de menschenwereld en kende de diepe wortelen van 's menschen daden.

Wij zeiden 't reeds, weinig preeken gaf hij in druk, maar wel zijn er vele door een trouw hoorder uit zijn

[p. 221]

besten tijd gestenografeerd. Misschien wordt nog wel naar een bundel verlangd en uitmuntende stof is daarvoor dus nog voorhanden.

Tot de macht van zijn woord werkte zijn edele persoonlijkheid krachtig mede.

Veler weldoener is hij geweest met woord en daad. Menigen schipbreukeling op de zee des levens heeft zijn geestkracht gered.

Weinig miskenning heeft hij ondervonden. Maakte dat weinige hem soms bitter, meest drong het hem tot grooter krachtsinspanning.

Zoo heeft hij gewoekerd met zijne groote gaven tot een verraderlijke ziekte hem langzaam deed wegkwijnen.

Maar vele, vele jaren is hij in wijden kring een man van beteekenis geweest, die tot godsdienstigen vooruitgang krachtig heeft medegewerkt. In veler hart zal hij voortleven.

 

L.H. Slotemaker.

[p. 222]

Lijst der geschriften van Dr. G. van Gorkom1.

1856Specimen theologicum inaugurale de Joanne Coccejo, Sacri codicis interprete.
1861Kritiek op een verhandeling van Dr. van Teutem, getiteld: Blik in den eersten brief van Petrus.
Nieuwe Jaarboeken voor wetenschappelijke theologie.
1862Eert uwe vaderen.
1863De profetie van Joël. Leerredenen tot bevordering van Evangelische kennis en Christelijk leven.
1864Exelsior. Evangelisch magazijn.
1866Tiental Leerredenen. Neerlands Kansel.
1866Oudejaarsavondpreek te Leiden.
1866Ongeloof. Leerredenen tot bevordering enz.
1866Over de Jan Rap's brochure. Tijdspiegel 1866.
1866Iets over orgels en nog wat.
1867Alles of niets. Christelijk Album.
1867Kritiek op een verhandeling van Dr. J. Cramer, getiteld: de Illusie der moderne richting. Tijdspiegel 1867 en 1868.
1868Afscheidswoord aan de gemeente te Leiden.
1868Toespraak bij de aanvaarding van het Leeraarsambt te Amsterdam.
1869Oudejaarsavondpreek. Taal des Geloofs.
1871Een woord op het Pinksterfeest.
1873Een heilig volhouden. Taal des geloofs.
1875Karakter. Onze godsdienstprediking.
1897Afscheidswoord. Uit de Remonstrantsche Broederschap.
1899David Friedrich Strauss. Gids Februari 1899.

[p. 223]

1899Meer of minder dan Hij.
1899De kranke van Bethesda.
1899De verplichting der sterken. Godsdienst en Leven.
1899Uit Mefiboseths leven. Godsdienstig Album.

In Los en Vast zijn van Dr. van Gorkom de navolgende opstellen:

1866Peter Runberg aan Jan de Wit.
1866Jan de Wit aan Peter Runberg.
1866Jan de Wit aan Adam Thyssen.
1866Kees van Effen aan Jan de Wit.
1866Jan de Wit aan S. van Bergen.
1867Adriaan de Mérival.
1867Naar aanleiding van een rectorale redevoering.
1867Een vervolg op Adriaan de Merival.
1867Op St. Bogermansdag.
1867Het Weeshuis.
1868Een ‘Afscheidswoord’.
1868Professorale humor.
1868Nog eens over Piet Paaltjens.
1868Lidewyde.
1868Een ‘Afscheidsrede’.
1868Iets over Natuurstudiën.
1869Pro patria!
1869De mensch in zijn bedrijf.
1869Nog een humorist in 't Sticht.
1869Iets over ons kerkgezang.
1869Het stukje van H. Pierson.
1869Een brief die in de vacantie geschreven is.
1869Op St. Bogermansdag van 1869.
1869Uit de zeventiende eeuw.
1869Waardeering.
1870Nalezing van de ‘Java-bode’.
1870Geschiedenis van den dag.
1870In raadselen wandelen.
1870Een classiek praatje.
1870Niet over den oorlog.
1870Voor Israël.
1870Een romantisch stuk uit den nieuweren tijd.
1870Uit het zondenregister van twee faculteiten.
1871Agnes.
1871In Memoriam.
1871De kerk aan boord.
1871Dr. A. Kuyper en het Modernisme.
1871Voor de Academiejeugd?

[p. 224]

1872Hilda.
1872Een ‘voorwoord’ met een ‘Bijbel voor de Jeugd’.
1872De Horse.
1872Een vrijdenker.
1872Iets over binnen- en buitenlandsche Doppers.
1872Aanteekeningen bij een noot.
1872Van Oosterzee's ‘woordeke’ over ‘Bijbelbestrijding’.
1873Ter verzoening.
1873Tegen David Friedrich Strauss.
1873Uit het leven van een eerlijk man.
1873Uit het boek der martelaren.
1873Jozua Davids.
1874Brief aan den heer S.F.W. Roorda van Eysinga, emeritus predikant.
1874Een aanwinst voor onze letterkunde.
1874Iets over een Prospectus.
1874Uit het dagboek van een Indisch geneesheer.
1874Naar aanleiding van een 37ste uitgaaf.
1874Iets over twijfel en twijfelaars.
1874‘In 't vrije veld’.
1874In 't nieuwe jaar.
1876Iets over de Oudvelders.
1878Nette menschen.
1880Charles Boissevain.
1881Mulders autobiographie.
1883Oud en jong.
1884Aanteekeningen op een geschrift van Dr. Ludwig Büchner.
1884Een praatje over Oud en Nieuw.
1885Uit tweëerlei levensbeschouwing.
1886‘Een kinderbijbel?’
1890Over S.E. Sachse contra Haverschmidt.
1891Herinneringen.

1Ik dank de mededeeling dezer anekdote aan den heer M. Hoog boven genoemd.
2In den laatsten tijd genoot hij ook het onderwijs van Prof. B. Ter Haar.
1Afscheidswoord. Uit de Remonstrantsche Broederschap. 1897.
2t.a.p.
1t.a.p.
1Afscheidswoord.
1t.a.p.
2t.a.p.
De Heer C.F.v.d. Horst laat in het Groene Weekblad op het heengaan van Dr. van Gorkom uit zijn werkkring een geheel ander licht vallen. Ofschoon hij oordeelt dat v.G. met onvolprezen goeden smaak zich reeds jaren voor zijn verscheiden de rust van den emeritus had opgelegd, waar menig ander zich door geen aardsche macht laat wegdringen van het plekje gronds, waarop hij de beste helft van zijn leven heeft doorgebracht, doet hij later doorschemeren dat miskenning daartoe niet weinig heeft bijgedragen.
Hij beweert dat het om v.G. al meer en meer eenzaam werd. Dat in de kerken rechts, in de conventikels links, zich de hoorders verdrongen, tot wie hij het de moeite waard had kunnen vinden het woord te richten. Dat de onafwijsbare verandering, die hij overal zag, hem verbaasde en verbijsterde. Dat de bevreemding en de vervreemding met den dag toenam. Dat hem dit bedroefde, soms verbitterde. Dat dit begaafde levcn in miskennen en miskend worden geëindigd is.
Door de zeer vriendschappelijke betrekking die er tusschen van Gorkom en mij bestond, bezat ik ook ten aanzien dezer dingen zijn volle vertrouwen en nu verklaar ik ronduit dat er van die geestelijke vereenzaming, bevreemding en verbijstering geen woord waar is. Wel ging hij niet meê met hen die voor goed met godsdienst en kerk gebroken hadden; maar vereenzaamd voelde hij zich daardoor in geenen deele. Waar hij optrad juichte hem een groote schare van geestverwanten toe.
In miskenning liep zijn leven niet ten einde, maar tot den einde toe genoot hij de warme sympathie van ontwikkelden en eenvoudigen, wier verlangens en behoeften hij bevredigde.
1Los en Vast 1891.
1t.a.p.
2Hiermede bedoelt hij het onbesuisd en krenkend woord van Busken Huet over Prof. Scholten in zijn Ongevraagd advies: ‘Is het niet klein en zwak en ergerlijk, wanneer men zich bewust is tot Kalvijn in dezelfde betrekking te staan als Servet, den lieden diets te maken dat men Kalvijns werk voortzet?’ Terecht vraagt van Gorkom hierop: Was ook Huet in die dagen de kluts niet kwijt geraakt? Had ook hij in 't strijdperk de oogen niet vol stof gekregen? Zóó te spreken over den man, wien hij later het groote werk van zijn leven ‘Het land van Rembrand’ opdroeg? Wien hij in de ‘Brieven’ gedurig als een zijner beste leermeesters roemt? In wien hij juist en met name de echt historische methode geëerd en liefgehad heeft?
1t.a.p. Is dat ‘miskenning’ van wat in de ‘conventikelen links’ behandeld werd? Is hier ‘verbijstering’ over de beweging, waarmeê van Gorkom niet meêgaau kon? Vreemd dat de Heer v.d. Horst die ‘Herinneringen’ stilzwijgend voorbij gaat.
1t.a.p.
1t.a.p.
1Herinneringen.
1t.a.p.
2Deze opgaven dank ik aan den uitgever den Heer S.C. van Doesburgh.
1In het meer gemelde opstel van den heer van der Horst, dat eenige beteekenis ontleent vooral aan het blad, waarin het werd opgenomen, de Amsterdammer, Weekblad voor Nederland, wordt over ‘Los en Vast’ een zeer ongunstig oordeel uitgesproken, met name over wat Dr. van Gorkom daarin schreef. Niet wat den vorm zijner opstellen betreft. Integendeel. Den heer v.d.H. ‘treft ook nu nog in menig opstel een ongewoon schrijverstalent. Boven alle wanklanken van kleinsteedsche onderwerpen en bekrompen idealen uit, hooren wij - schrijft hij - een menschelijke stem, wier rustig geluid aangenaam aandoet tusschen velerlei gewauwel en gestamel dat uit dien tijd tot ons doordringt. Al lezende en luisterende vernemen wij keer op keer iets van een persoonlijk accent, voelen wij nu en dan de bekoring over ons komen van een gestileerden eenvoud en gedistingeerde gemeenzaamheid; het is of wij in een saaie, muffe achterbuurt op eens een nachtegaal hooren slaan.’
Wel een uitbundige lofprijzing, die wij van harte onderschrijven; maar het zijn dan toch ‘kleinsteedsche onderwerpen en bekrompen idealen,’ die naar zijn oordeel in ‘Los en Vast’ gevonden worden. Wie de oude jaargangen opslaat, kan - zegt hij - nauwelijks een glimlach onderdrukken, als hij ziet welke miniatuurevenementen dit hollandsch Kanaän van vóór dertig, veertig jaar hebben beroerd. Voor den heer v.d.H. zijn dus het socialisme, antisemitisme, weezenverpleging, natuurstudiën en wat wij daar meer van herinnerd hebben kleinsteedsche onderwerpen, item wat de Veer in ‘Los en Vast’ behandeld heeft, zooals de doodstraf, het middelbaar onderwijs, de emancipatie der vrouwen, politieke gebeurtenissen, enz. enz. En de hooge en heilige beginselen, waarvoor v.G. verklaart te strijden, heeten bekrompen idealen. De heer v.d.H. ziet hier slechts miniatuurevenementen, die om zijn lippen een glimlach plooien.
De literaire critiek, die hier beoefend wordt, heet al verder vrij wel buiten de literatuur om te gaan en min of meer te verloopen in een beantwoording van de overigens niet onbelangrijke vraag in welke mate het besproken geestelijk verschijnsel zich aanpast aan een levensbeschouwing, wier onschendbaarheid wij blindelings hebben te aanvaarden.
‘Buiten de literatuur om’ wordt hier klakkeloos beweerd en komt op niets anders neer dan dat op den vorm niet zoozeer nadruk gelegd is als op inhoud en strekking. En dat wij allen de onschendbaarheid eener levensbeschouwing blindelings zouden hebben te aanvaarden, is eenvoudig laster. Niets was van zijn geest verder verwijderd.
Toch, dat zal het ééne doorloopende misverstand zijn dat die zeven of acht jaargangen, volgens den heer v.d.H., vertegenwoordigen. Een misverstand, dat op het breedst was, waar het in den eenige, die het goede deel gekozen had, niets dan een uit den hemel gevallen engel kon zien.
Die eenige is Huet, die - alweer volgens den heer v.d.H. - in ‘L. en V.’ ‘ontelbare malen den volke aangewezen wordt als een renegaat, die de goede zaak verlaten, indien niet verraden heeft.’
Dit is le fin mot de l'histoire: v.G. kon met Huet niet meegaan; dat moet die zeven of acht jaargangen bedorven hebben. En ‘Huet had nog wel het goede deel gekozen!’
1Een en ander van hetgeen hier volgt heb ik ontleend aan hetgeen ik in de Hervorming van 21 Januari 1905 heb geschreven.
1Daarom geeft zijn tiental Leerredenen in Neerlands Kansel een eenigszins onvolledig beeld van zijn preekmanier. Zij waren niet geimproviseerd en over 't geheel in kalmer betoogtrant gesteld.
1Neerlands Kansel enz., bl. 6.
1‘L. en V.’ 1874, bl. 350.
1Behalve ten opzichte van Los en Vast liet Dr. v.G. geenerlei aanteekeningen over zijn geschriften achter. Enkele kunnen mij dus ontgaan zijn.