Bron: www.dbnl.org
[p. 1]

Levensberichten der afgestorvene medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde.

Bijlage tot de Handelingen van 1889. Leiden. - E.J. Brill. 1889.

[p. 3]

Levensbericht van W.J. van Gorkom.

Wij schreven het jaar 1856. Ik had te Groningen, de stad waar ik geboren en getogen ben, mijne studiën aan de hoogeschool volbracht en mij daar als privaatdocent gevestigd; eerlijk wil ik het bekennen: niet zonder eenig gevoel van eigenwaarde, meende ik in den doctoralen titel den sleutel te bezitten - tot wat niet al. Het lager onderwijs - van middelbaar was schier nog geen sprake, behalve op enkele, zoogenaamde Fransche scholen en de landbouwschool te Haren - stond natuurlijk laag bij mij aangeschreven, niet zoozeer omdat de hooger-onderwezene, om met G.J. Mulder te spreken, zich boven den lageronderwijzer verheven gevoelde en alle aanraking met hem schuwde, als wel omdat de nasmaak van het vroeger op de schoolbanken genoten onderwijs niet bijzonder aangenaam was.

Een schoolmeester was en bleef een schoolmeester, een schoolvos, een man die onder onaangename, houterige vormen en eene smakelooze, niet zelden versletene kleeding al zeer luttel kennis of wetenschap te verbergen had. En wij verbeeldden ons, reeds zooveel geleerd te hebben!

Ook in dezen kwam het verstand eerst met de jaren. Hoe

[p. 4]

dikwijls maakten de studenten van mijn tijd zich vroolijk met enkele prachtexemplaren van het thans schier uitgestorven ras der ouderwetsche schoolmeesters. De overlevering wilde zelfs, dat men op een vroolijken namiddag een van hen, die tevens als voorlezer en voorzanger in een der hervormde kerken dienst deed, omsingelde en niet losliet, eer hij uit den mond der zoo kwalijk oordeelende en zoo streng veroordeelende studiosi vernomen had, dat hij een pedante schoolvos was en niets meer.

Valt het iederen mensch moeilijk, zich te onttrekken aan den invloed der omgeving, waarin hem het lot geplaatst heeft, met ons, Groningsche studenten, was dit zeker in hooge mate het geval. Aan onze alma mater werd hard gewerkt, maar er heerschte, behalve in enkele kringen, een ruwe geest. Den grond zoek ik in het isolement onzer stad, die wel de moeder was van stoere kracht, maar niet genoeg aanrakingspunten met de overige wereld aanbood om de scherpe en harde punten af te slijpen. Immers in mijne jeugd heb ik den straatweg van Groningen naar Assen nog zien leggen, het kanaal, dat thans beide steden verbindt, is eerst veel later gegraven, en van spoorwegen was toen in het Noorden zelfs nog geen sprake. Welk een ommekeer hebben o.a. de nieuwe middelen van vervoer niet gebracht; ook op het gebied van het lager onderwijs staat Groningen thans zeker hooger dan menige andere gemeente in ons vaderland. Maar toen - ik weet geen betere uitdrukking - was zij een stad uit de 17de eeuw, die zelfs van de groote beweging uit het laatste gedeelte der 18de niets gevoeld had. Eerst door den ijzeren arm gegrepen, ontwaakte zij uit haren langen en diepen slaap.

De taal, op de voor ons verplichte en door ons verwenschte theepartijën van enkele professoren gesproken, was die der provincie, ruw en plat, en hij die zich in zulke kringen ongaarne bewoog, werd zelfs met schele oogen aangezien. De predikanten bezaten schier nog den gehee-

[p. 5]

len invloed van twee eeuwen vroeger en niet alleen door hunne kleeding, maar ook door hun gemaakt spreken schenen deze halfgoden zich van de gewone menschenkinderen te onderscheiden. Behoorlijke uitspanningen ontbraken zoo goed als geheel: het tooneel, bespeeld door enkele zeer eenvoudig opgevoede handwerkslieden, deed denken aan de acteurs uit Shakespeare's Midsummer-Night's Dream en vermaakte ons meer door zijne tekortkomingen dan door het goede dat het te zien gaf. Zelfs maakten de voorstanders van het ‘fideliter didicisse artes’ het eens zoo bont, dat zij met de bajonetten uit den schouwburg verdreven werden.

Dat men in zulk eene stad toen ter tijde voor schoolmeesters al zeer weinig achting koesterde, laat zich gemakkelijk bevroeden door ieder die bedenkt, hoe laag zij vroeger stonden aangeschreven en daarbij niet vergeet, dat ook nu nog bij velen uit de hoogste standen de eerbied voor het onderwijs zeer gering is, trots de gelegenheidstoosten en toostachtige redevoeringen, brochures enz., ter verheerlijking van het gewicht van het volksonderwijs uitgesproken of neergeschreven. Kon men werktuigen uitvinden, die hetzelfde werk aan kleine en groote kinderen verrichtten als onderwijzers en leeraren en hoogleeraren, en die hen volpompten met de kennis, noodig om in het leven vooruit te komen, zij zouden de menschelijke leerkrachten even zeker vervangen als dit op het gebied der nijverheid met den werkman het geval is.

De ruwheid van zeden had echter ook hare goede zijde. Noch op de lagere, noch op de latijnsche, noch op de hooge school had de leerling over te veel werk te klagen. Hij had tijd genoeg om, even als Jan de Witt in de 17de eeuw, op de straat groot te worden. Hij had dikwijls gelegenheid om zich met den toenmaals beruchten Groningschen straatjongen te meten en, al nam hij maar al te vaak van dezen ruwe woorden en zeden over, hij werd democraat zonder ooit tot ochlocratie over te slaan en later soms aristocraat, zonder van oligarchie iets te willen

[p. 6]

weten. Het onderscheid van stand bleef desniettemin be staan. Een timmerman of metselaar werd nooit een heer, hij bleef baas; was een dominee geen Theol. doctor, zijne vrouw bracht het niet verder dan Jufvrouw…; geen kruidenier troonde op eene andere plaats dan achter zijn toonbank, noch schaamde hij zich, zelf de zakjes te vullen en toe te wegen voor ieder die dit vroeg. Diepen eerbied koesterde men, behalve voor enkele rijken en aanzienlijken, bovenal voor de professoren, allen toenmaals mannen van zekeren leeftijd, die de wetenschap ex cathedra verkondigden, niet weinigen echter van gele bladen, die, langzaam voorgedreund, onder de handen der studenten tot dictaten werden, en niet zelden zoo proefhoudend bleken te zijn, dat later de zoons nog dikwijls uit het zweet en den inkt hunner vaderen voordeel konden trekken.

Hoe zonk bij die hooge geleerdheid al de lagere kennis, die de schoolonderwijzers bezaten of dienden te bezitten, in het niet. Welk een ondempbare klove scheidde beide standen; slechts deemoed en oogendienst waren in staat een brug over dezen afgrond te slaan. Voor den schoolopziener-hoogleeraar kropen zij als voor den almachtige, in wiens schoot het geluk en het ongeluk der hunnen berustte en wee, driewerf wee hun, evenals thans nog hunnen ambtgenoot in Indië, zoo zij b.v. de dapperheid onzer troepen ooit durfden in twijfel trekken. Geringe bezoldigingen voor hen en hunne vaak talrijke gezinnen, afhankelijkheid van de gewoonlijk hunne kinderen te liefhebbende vaders, die bij iedere gunstige gelegenheid, op verzoek der moeders, meester eens de les gingen lezen, maakten het hun onmogelijk zich zelfstandig te ontwikkelen of zich vrij te bewegen. Het lager onderwijs was dan ook - ik spreek nu van mijne jongensjaren, nu ongeveer een halve eeuw geleden - hoogst gebrekkig en het hoogste beginsel, warme belangstelling in de school en liefde voor de scholieren, ontbrak. Niet als de schoolopziener verscheen, dan week de glimlach niet van 's meesters mond, dan heetten wij ‘lieve

[p. 7]

kinderen’, maar anders regeerde de stok, de lange stok, waarmede ook de jongens van de achterste banken in tucht werden gehouden.

De vaderlandsche geschiedenis bestond, onzes inziens, enkel uit jaartallen, die op de keerzijde van een zwarte plank stonden, op wier voorkant de vier lijnen van een notenbalk geverfd waren. Wie die jaartallen in zijn hoofd had en wist, welk merkwaardig feit bij elk hunner behoorde, was een model van een geschiedkundige in den dop.

Het rekenen bepaalde zich tot het maken van sommen volgens nooit behoorlijk uitgelegde en daarom ook door niemand begrepen formules. Die in Jan van Olm was, had het reeds ver gebracht en zijn boek te kennen, dat was het toppunt van geleerdheid.

Zeker was ook het lager onderwijs gaandeweg sedert 1840 veel verbeterd: zelfs in het verre Noorden had de geest des tijds, waaraan later de schoolwet van Aug. '57 het leven te danken had, zijnen zegenrijken invloed doen gevoelen en nergens misschien was men ijveriger in de weer om de bestaande gebreken te verhelpen dan te Groningen. Zoo bestond er ook eene vrij algemeene ontevredenheid over de vorderingen van hen die op de latijnsche school, later het gymnasium, hunne aangevangene studiën wenschten voort te zetten, en na allerlei andere middelen beproefd te hebben, sloeg men eindelijk den eenigen bruikbaren weg in: er werd een progymnasium gesticht, een school, voorbereidende voor het gymnasium en, om tot mijn uitgangpunt terug te keeren, in 1856 kwam aan het hoofd dier inrichting te staan Wilhelm Johan van Gorkom. Welk een verschil tusschen hem en de schoolmeesters, zooals ik ze gekend had en ook tusschen hem en de meeste hoofdonderwijzers aan lagere scholen uit lateren tijd. De donkere achtergrond welken ik heb trachten te schetsen, diende slechts om hem des te beter te doen uitkomen.

Hij betrok het huis, vroeger door den Rector Mr. J.A. Schneither bewoond, en reeds van den beginne af begreep

[p. 8]

ieder die met hem in aanraking kwam, dat hij eene persoonlijkheid, eene beschaafde en begaafde persoonlijkheid was. Ik had mijne kamer in de buurt zijner woning en des avonds of des nachts, als hij zijn plicht jegens zijne leerlingen en kostleerlingen vervuld had, dan waren wij gewoonlijk te zamen en bespraken allerlei onderwerpen, die toenmaals aan de orde van den dag waren, de pas geborene moderne theologie niet het minst. ‘De Vragen en antwoorden. Brieven over den Bijbel’ verschenen in 1857 en '58, en er ging een rilling door ons, godsdienstige twistgesprekken lievend volk, niet het minst door de gelederen der Groningsche theologen en theologasters. Immers de bekende driemannen, wier kritiek alles onderzocht behalve het kritiekste, hadden, zooals men weet, wel den geest des onderzoeks opgeroepen, maar zij en niet weinigen der hunnen sidderden voor de nieuwe geesten, die zij tot hun spijt niet weer konden bannen. Geen plaats, geen sekse was veilig voor den strijd. Zelfs de theologen zonder baard namen er met haar gansche hart aan deel en toonden zich vaak de slechtste Christenen: zij verketterden aan hare theetafels elk en een iegelijk die de nieuwe, ongehoorde denkbeelden verkondigde - om een weinig later van den duivelschen Thrasybulus haren afgod te maken.

Geen warmer voorstander en verdediger van de nieuwe leer dan van Gorkom en hij is dit gebleven, dit getuigen zoowel zijne bemoeiingen nog in de laatste jaren zijns levens in het belang van den Protestantenbond te Goes, als verscheidene plaatsen in zijne geschriften. Of Thomas François Burgers, dien hij later naar Afrika volgde, der moderne theologie was toegedaan, weet ik niet, maar dit bleek mij duidelijk uit de ‘Tooneelen uit ons dorp’ (door den heer Th. M. Tromp in 1882 verzameld en in den Haag op nieuw uitgegeven), dat er in dezen oudtheoloog en predikant te Hannover (in Africa) een zeer milde geest leefde, die de gebreken van het in zijn vaderland heer-

[p. 9]

schende strenge Calvinisme afkeurde. Misschien was het een der redenen, die hier te lande beide mannen tot elkaar bracht en hen in de Transvaal, waar de andere richting overheerschend is, nauw verbonden hield.

Maar, voordat ik verder ga, dien ik het een en ander uit van Gorkoms vroeger leven mede te deelen: want ik ben begonnen met het jaar onzer kennismaking, toen hij bijna 30 jaar oud was.

Den 4 Febr. 1827 werd Wilhelm Johan van Gorkom te Zutfen geboren uit ouders, die, volgens een bekenden vaderlandschen schrijver, rijk waren, ten minste in kinderen. Zij bezaten er later een tiental: vele landgenooten, ook die geen leden van ‘Letterkunde’ zijn, weten hoe vele kundige en edele menschen uit dat eenvoudige huisgezin zijn voortgekomen. Dat hij reeds spoedig in zijn eigen onderhoud moest en ook kon voorzien, blijkt hieruit dat wij hem reeds op twintigjarigen leeftijd werkzaam vinden aan de toenmaals zoo beroemde kostschool van den heer Kapteyn te Barneveld, welke hij in Juni 1848 verliet om te Oud-Alblas als gouverneur der kinderen van Ds. Kam op te treden. Daar bleef hij tot Maart '49 en was vervolgens twee jaar lang als secondant aan de inrichting van den heer Dekker te Klundert werkzaam. Van hier leidde hem zijn weg in '51 naar Vianen bij den heer Stuart, aan wiens school hij twee à drie jaar onderwijs gaf, om in '53 naar Barneveld terug te keeren. In Mei '54 was hij bijzonder onderwijzer te Amersfoort, waar zijn oudste broer, Dr. Evert J. van Gorkom (met wiens weduwe, Henriette van Kesteren, hij later te Groningen trouwde) rector aan de latijnsche school was.

In November 1854 kwam Wilhelm aan het hoofd eener openbare school te Steenwijk, doch ook hier bleef hij slechts korten tijd, want reeds in Aug. '56 aanvaardde hij te Groningen de nieuw geschapene betrekking, die hij bijna 20 jaren lang bekleedde.

Welk een zwervend leven had die jonge man geleid, welk

[p. 10]

een ondervinding had hij reeds in en buiten de school opgedaan!

Aan vlugheid van geest, en veel smaak voor beschaafde vormen, paarde hij eene groote mate van goed- en ook van hooghartigheid.

Hoe dikwijls zal hij zich in de nederige betrekking van secondant of ondermeester niet gekwetst gevoeld hebben, zoowel omdat men in hem niet zag of niet wilde zien, wie hij was en wie hij wilde zijn, als omdat het schoolsche, het ploertige van sommige inrichtingen, waaraan hij als ondergeschikte werkzaam was, hem tegen de borst stuitte.

Wat daarvan zijn moge: zoowel te Steenwijk als bovenal te Groningen was zijne maatschappelijke positie verbeterd. Volgens het verslag der gemeente Groningen van 1856 werd hij in de plaats van den Heer D.J. Stahl de Boer tot leeraar in de moderne talen aan het Gymnasium benoemd, om, door een secondant geholpen, aan de eerste klasse van die inrichting en aan de voorbereidende klasse onderwijs te geven in alle vakken, welke daar moesten geleerd worden.

Spoedig daarop droeg men het onderwijs in de moderne talen aan het Gymnasium, te beginnen met de tweede klasse, aan één leeraar op en werd aan van Gorkom in de voorbereidende klasse een tweede secondant toegevoegd. In 1864 is uit de hoogste klasse van het Gymnasium en de daartoe voorbereidende afdeeling een voorbereidende school van middelbaar onderwijs gevormd, die, 16 Aug. geopend, spoedig 118 leerlingen telde.

De inrichting bestond uit drie klassen en diende ter voorbereiding voor het Gymnasium, terwijl later het doorloopen van de twee laagste klassen geschikt maakte voor het volgen der lessen aan de H.B. School. Zoo werd dus het Progymnasium eene school ter voorbereiding voor middelbaar en hooger Onderwijs1, aan wier hoofd onze van

[p. 11]

Gorkom stond, totdat hem 10 Juli 1875 op zijn verzoek door den gemeenteraad een eervol ontslag verleend werd.

Er rustte op hem eene verplichting, waaronder hij altijd diep gebukt ging, al maakte zij den financiëelen toestand, waarin hij verkeerde, beter dan dien van vele zijner ambtgenooten: hij moest kostleerlingen houden.

De stad Groningen was en is het vereenigingspunt der geheele provincie en zij deelde, na de opheffing der Latijnsche school te Appingadam, met het kleine Winschoten den roem van een Gymnasium te bezitten, dat men zoo veel mogelijk trachtte te bevolken.

Hij klaagde over den last van de kostschool en de ouders van de kostleerlingen waren niet altijd tevreden over het toezicht, dat hij hield op het werk hunner kinderen. Hij placht des avonds, als hij niet het een of ander onderwerp van den dag bij een vriend of op den katheder besprak, veel te werken, soms tot 3 uur in den nacht toe, en daardoor waren zijne huisgenooten dikwijls aan de zorg van de elkander telkens vervangende secondanten overgelaten.

Hoe moeten van den anderen kant hem dikwijls kleingeestige op- en aanmerkingen van liefhebbende vaders geërgerd hebben. Zoo ontving hij op een zekeren dag een bezoek van drie hunner, welke trits, na rijpe overweging van de te volgen gedragslijn, zich bitter beklaagde - dat de jus van den biefstuk gewoonlijk niet vet genoeg was!

Dat durfde men hem verwijten, hem die het hart veel te hoog droeg om ooit zelfs zuinig te willen zijn en wiens hand altijd open was om ieder, die zijn hulp inriep, bijstand te bieden.

Daarenboven - iedere goede zaak kon op zijn belangstelling rekenen. Hij bemoeide zich gaarne met de politiek, vooral met die van Indië; hij sprak en schreef over Java, en de maatschappij tot Nut van den Javaan, door Dr. W. Bosch in 1866 opgericht, had in hem een harer ijverigste leden. Het doel van den ‘Vredebond’ trok hem zeer aan en evenzeer de bij uitnemendheid zoo genaamde Sociale

[p. 12]

kwestie, welke hij meermalen in de vergadering der Maatschappij van handwerkslieden, wier eerelid hij later werd, besprak.

Maar dit alles kostte tijd, veel tijd, en had ten gevolge dat hij wel eens een schooldag afwezig was, hetgeen het den schoolmeester immer moraliseerende publiek vooral zeer euvel opnam.

Wel kwam het tot geene botsing met de gestelde machten, als daar waren Schoolcommissie, Curatoren van het Gymnasium of Burgemeester en Wethouders, maar het is toch voorgekomen dat hem op zijn verzoek om een of twee dagen van de school afwezig te mogen zijn, het verlof slechts schoorvoetend verleend werd, met de opmerking van den voorzitter, dat het der commissie aangenaam zou zijn, als hij zich minder met dergelijke zaken bemoeide.

Hij richtte echter zijne veelvuldige werkzaamheden buiten de school gewoonlijk zoo in, dat hij geen enkele les behoefde te verzuimen, en had dus volkomen het recht om, zooals hij ook deed, op deze aanmerking te antwoorden: ‘Wijs mij aan, in welk opzicht het onderwijs lijdt onder mijne bemoeiingen buiten de school, in welk opzicht ik mijn plicht niet waarneem en dan geef ik u de verzekering dat het niet weer zal gebeuren.’

Zijne bekwaamheid als onderwijzer werd dan ook algemeen geroemd. In het verslag der Groningsche schoolcommissie voor 1874 staat met zoo vele woorden:

‘De bekwaamheid van den hoofdonderwijzer is bekend.’

Maar juist omdat hij zich zijner bekwaamheden bewust was en zag, wat in eene akademiestad hoogst gemakkelijk in het oog valt, dat mannen van veel minder beteekenis dan hij, de hoogste eeretitels in het een of ander vak van wetenschap en later de hoogste ambten verwierven, voelde hij zich al minder en minder te Groningen in eene lagere school, aan eene inrichting tot voeding van kinderen, op zijne plaats. Het denkbeeld om een Akademischen graad te verwerven heb ik vóór mijn vertrek naar Doesburgh (in

[p. 13]

Sept. 1859) dikwijls met hem besproken, maar tot verwezenlijking is het nooit gekomen.

Om welke redenen? Ik herinner ze mij niet meer. Zeker waren de omstandigheden, als daar zijn: vaste bezigheden, kostschoolhouderschap, leeftijd enz. ongunstig voor de uitvoering van dit plan, maar 't heeft mij altijd gespeten, dat ik hem daarbij niet behulpzaam geweest ben, want met zijne vlugheid, geestkracht en eerzucht zou hij de bestaande bezwaren ongetwijfeld te boven gekomen zijn. De goede gelegenheid, die hem het verblijf in eene Akademiestad aanbood, zou hem in staat gesteld hebben de summi honores b.v. in de rechten te verwerven.

Evenwel wist van Gorkom zich een weg te banen tot gezelschappen, die voor zijne ambtsbroeders en beroepsgenooten tot nog toe gesloten waren, zoowel om hunne persoonlijkheid als om hun ambt of beroep. Want even als iedere geisoleerde stad, was - het is reeds boven opgemerkt - ook Groningen exclusief; er waren verscheidene cirkels, die elkander te nauwernood raakten. Wee dengene die meende in zijn cirkel niet thuis te behooren en die daarom trachtte den omtrek te overschrijden! Van Gorkom voelde zich in den zijnen niet thuis. Hij wist dat zijn horizon daarbuiten lag: zijne algemeene kennis, zijne aangename vormen, zijne beschaafde taal en ongroningsche uitspraak, zijn gemak in den omgang verschaften hem recht op verkeer in de hoogste standen. Men gevoelde zijn overwicht en kon het echter slechts noode van zich verkrijgen om dit te erkennen - dit is de vloek van zijn leven geworden. Hij besefte, dat men in hem den begaafden en beschaafden schoolmeester, maar desniettemin altijd den schoolmeester zag, dat men van hem niets meer en niets beters wenschte en wilde, dan dat hij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat jongens zou drillen in de allereerste gronden der schoolwetenschappen; hij gevoelde dat al wat hij verder wist en wenschte door vele bekrompene lieden niet slechts niet begrepen maar zelfs afgekeurd werd. Immers wat is

[p. 14]

zulk een kostschoolhouder anders dan een leer- of lesmachine, die het noodige werk moet verrichten aan kinderen van ouders, door wie hij betaald wordt, en van wie hij voor een zekere, vooral niet te hooge som, de zorg voor de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling hunner spruiten overneemt. Het dwangbuis sluit nog nauwer, wanneer de gemeente zelf de voorwaarden stelt en handhaaft. Zulk een man behoort geen geest te hebben, hij mag zich evenmin met theologie als met politiek bemoeien. Hij heeft te gelooven wat het credo zijner betaalsheeren is en ook op staatkundig gebied mag hij geene ketterijen verkondigen. Niet, dat men het van Gorkom te Groningen lastig maakte, omdat hij zich ook in dezen eene persoonlijkheid toonde - ik geloof zelfs het tegendeel - maar zijn gevoel heeft hem zeker niet bedrogen als het hem zeide, dat hij in zijne betrekking daar niet op zijne plaats was.

Wel in de school.

Volgens het oordeel van allen wien een oordeel toekomt, was hij een uitstekend docent. Kort, bondig en duidelijk waren de taalregels, die hij in de vaak harde hoofden zijner leerlingen wist te prenten en de boeiende, levendige voordracht, die hem als aangeboren was, bande de verveling, die moeder der wanorde, uit zijne school.

Hij zelf had echter ander voedsel noodig dan de droge kost van het zoogenaamde uitgebreide lager onderwijs; hij zocht een uitgebreiden werkkring, misschien ook om aan zijne eerzucht te voldoen en hij vond dien in de moeilijke studie van het ‘prachtige rijk van Insulinde, dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd, van het land daarginds, waar meer dan dertig millioenen onderdanen onzes konings worden mishandeld en uitgezogen’. ‘Multatuli's’ woord ik wil gelezen worden en ik zal gelezen worden was in vervulling gekomen: zijn Max Havelaar deed een schok gaan door geheel Nederland en er trilden snaren, wier bestaan vroeger onbekend was, bij de besten niet het minst. Wat onderdrukking is, wat vrijheid

[p. 15]

beteekent, wie wist het beter dan onze Wilhelm, wiens levenservaringen, reeds in zijne jeugd opgedaan, hem bij elk onrecht, dat ter sprake kwam, de vuist deden ballen en wiens oog fonkelde, zoodra er hulp gezocht werd voor of door een zwakke, die gevoelde in den ongelijken strijd tegen een krachtigen maar onmeedoogenden tegenstander het onderspit te zullen delven. Hem viel het zwaar, zich te bukken voor de wettig gestelde machten: hoe ongelukkig - diep gevoelde hij het - moest niet het lot zijn dier diep rampzalige slachtoffers van domme, onrechtvaardige, onchristelijke staatkunde, die hare baatzuchtige willekeur door allerlei schoonschijnende en edel klinkende drogredenen voor de eenige waarachtige vaderlandsliefde en edele menschenmin, zoowel in als buiten de Kamers, wilde doen doorgaan.

‘Ik wil barmhartigheid en niet offerande’, eene wekstem aan Nederland tot regtvaardigheid en pligtbetrachting jegens den Javaan, was motto en titel van den Open brief, waarmeê Dr. W. Bosch in 1866 de nieuw gestichte maatschappij: Tot nut van den Javaan, aan het Nederlandsche volk aanbeval1.

Noode onthoud ik mij van enkele aanhalingen uit het zoo warm geschrevene boekje, waarin gezegden voorkomen, door leden van onze Eerste Kamer gebezigd, getuigende van een cynisme, waarvoor de beschaafde taal schier geene woorden beschikbaar heeft.

De nieuwe maatschappij telde spoedig ettelijke leden, die, zooals het gewoonlijk met dergelijke stichtingen gaat, eenige jaren contribueerden en langzamerhand ophielden dit te doen of door den dood verhinderd werden verder geldelijken steun aan eene goede zaak te verleenen, zonder dat anderen de door hen ledig gelatene plaatsen innamen. Van Gorkom deed meer dan enkel lid der maatschappij worden. Hij behoorde onder de voorste en vurigste

[p. 16]

strijders voor hare beginselen. Zijne kracht bestond niet zoozeer in de werken, die hij voor haar schreef, als wel in de woorden, die hij voor hare beginselen sprak. Vol geestdrift trad hij op in groote steden en in kleine dorpen, overal waar de belangen der Javanen ter sprake konden komen.

Jammer maar, dat het gewoonlijk zoo moeilijk valt den invloed, door een spreker geoefend, na te gaan. De gangbare tegenstelling tusschen het ‘levend woord’ en het ‘doode schrift’ overdrijft misschien, maar behelst toch in den grond eene niet genoeg erkende waarheid.

Dat hij zich op de hoogte van den vrij ingewikkelden stand der Indische zaken wist te stellen, blijkt ten volle uit de door hem schriftelijk behandelde onderwerpen. Voor zoover deze te mijner kennis gekomen zijn, wil ik zijne opstellen naar tijdsorde mededeelen. Slechts ééne opmerking vooraf.

Door al zijne geschriften (recensies en dagbladartikels) loopt een roode draad van ironie, die niet zelden tot sarcasme wordt: men voelt en tast bij iederen regel, dat hij het geloof in het voortbestaan van het bestaande bij eerlijke en kundige lieden als onmogelijk beschouwt.

Er moet verandering komen in het gezegende land, dat wij tot een broeinest van onze ongerechtigheden gemaakt hebben; het zal bevrijd worden van den vloek, door onze domme hebzucht onder de mom van christelijke liefde en op het voorbeeld van Jan Companie, onzen voorzaat, daarover gebracht.

Hij geloofde vast, dat de evenaar eindelijk naar den kant van het goede moest doorslaan.

Het oudste zijner opstellen - altijd onder de restrictie, voor zoover zij te mijner kennis zijn gekomen, is: ‘Open brief van een Jong-koloniaal aan den Oud-koloniaal’, verdediger(?) van 't Cultuurstelsel’1. Het boekje van den Oud-koloniaal, wiens naam mij onbekend is gebleven, heb

[p. 17]

ik niet kunnen inzien: de toon van zijn bestrijder is echter ver van zacht of zelfs beleefd. Hij gevoelde zich dan ook diep gekwetst, want, zegt hij, … ‘naar mijne meening is die Tendenz (van uw geschriftje) geen andere dan bestrijding - door verdachtmaking - der nog zoo jeugdige ‘Maatschappij tot nut van den Javaan’. Zoowel uit den tekst als vooral uit de aanteekeningen ziet men, hoe veel moeite onze schrijver zich getroost had om met officiëele bescheiden zijn tegenstander en dien van zijn troetelkind te verslaan. De verontwaardiging heeft hem echter niet tot een dichterlijk, zelfs niet tot een goed stilist gemaakt.

Het jeugdige ‘Los en vast’, door het bekende tweemanschap in 1869 uitgegeven, bevat op p. 107 vv. een tweede opstel van zijne hand, getiteld ‘Van een Jongkoloniaal’. De ‘Oud-koloniaal’ had hem natuurlijk dezen nom de plume aan de hand gedaan.

De vraag loopt over de Bildungsfähigkeit van den Javaan: zij wordt zuiver gesteld en, zooals van den schrijver te wachten is, in bevestigenden zin beantwoord. Zoo wordt o.a. uit de resultaten van de door Dr. W. Bosch te Weltevreden gestichte geneeskundige school, waar in 17 jaren 170 Doctoren Djawa (inlandsche geneesheeren) gevormd werden, het onomstootelijk (?) bewijs afgeleid, dat althans een groot deel der inlandsche bevolking, van de hoogste tot de laagste standen, voor ontwikkeling vatbaar is.

 

Voor mij ligt verder een overdrukje uit den Tijdspiegel van 1870 (gedagteekend medio Febr.). De schrijver behandelt in 47 bladzijden den prijs der koffie en het Preanger stelsel in de Tweede Kamer en in de Toekomst, onder het opschrift: Verband of geen verband?

Dit stukje wint het, mijns inziens, in betoogtrant en bedaarden gang van redeneering verreweg van de bovengenoemde. Ook hier vindt men op iedere bladzijde de doorslaande bewijzen van belezenheid en grondige beoefe-

[p. 18]

ning van de zaak, waarover het geschil loopt. De argumenten van de voor- en tegenstanders der zoo noodige verbeteringen worden gewikt en gewogen. Het ‘batig slot’ is voor verreweg het grootste gedeelte de vrucht van der Javanen arbeid in de koffietuinen. De enorme winsten, door den Staat op de koffiecultuur behaald, laten zich alleen verklaren door de onevenredig lage prijzen, die van wege 't Gouvernement aan de koffieplanters worden te goed gedaan. In de Preanger regentschappen werden van oudsher veel lager prijzen besteed dan elders op Java. Eigenlijk is daar altijd het contingentenstelsel der O.I. Compagnie gehandhaafd. De Preanger berglanden waren zoo bijzonder gunstig gelegen voor de koffiecultuur en de contracten in der tijd met de regenten-leveranciers gesloten waren zoo bijzonder voordeelig!

Een amendement, door de H.H. van der Hucht en Mirandolle ingediend, strekkende om die schreeuwende onrechtvaardigheid te doen ophouden, werd verworpen met 51 tegen 19 stemmen en dat ofschoon niemand een enkelen grond van rechtvaardigheid noch van billijkheid wist te berde te brengen, waarom een koffieplanter in de Preanger slechts ƒ6.50 voor een pikol koffie moest ontvangen, terwijl zijne buren op Java voor hetzelfde werk ƒ 13 ontvingen. Behalve de genoemde afgevaardigden verdedigden de H.H. Sloet van de Beele, Stieltjes en van Voorthuysen het amendement, maar het baatte niet of men sprak van onrecht, van onze verplichting om te betalen wat wij schuldig zijn. De baatzucht behield het veld.

Diep verontwaardigd, dat onze vertegenwoordiging zoo weinig besefte, hoe rechtvaardigheid een volk verhoogt, maar de zonde de schandvlek eener natie is, vatte Van Gorkom de pen op, om Nederland nogmaals te wijzen op zijne verplichtingen en hij besluit aldus:

‘Welke kunnen en moeten de praktische gevolgen zijn van de gevoerde debatten?

Deze: dat binnen zoo kort mogelijken tijd - uiterlijk na

[p. 19]

1871 - het Preanger-stelsel behoore tot de geschiedenis, en de koffiecultuur over geheel Java der bevolking tot een waren zegen zij.

En onze schatkist?

Die worde gevuld door ons zelven, niet door den Javaan!

Illusie? . . . . .

Ja, indien Nederlander te zijn hetzelfde beteekent als niets geleerd en niets vergeten te hebben; neen, indien ook in Nederland is de triomf aan de wetenschap en de triomf aan 't geweten.’

 

In denzelfden jaargang van den Tijdspiegel vond ik nog eene beoordeeling van de ‘Schets van de residentie Amboina’ door E.W.A. Ludeking ('s-Gravenhage, Martinus Nyhoff, 1868), welke kritiek zich in niets van die eener gewone recensie onderscheidt.

 

Boven sprak ik van den Max Havelaar, onder wiens invloed ook v. Gorkom, evenals zoo vele anderen, meer belang ging stellen in de zaken van Insulinde. Men make daaruit echter niet op dat hij een blind vereerder van Douwes Dekker was. Integendeel meermalen is hij zeker tegen hem in het krijt getreden; één schriftelijk bewijs slechts heb ik voor mijn beweren in een artikel, geplaatst in de Prov. Gron. Courant v.d. 13 Febr. 1871. X had in genoemd blad Multatuli's, ‘Nog eens Vrije arbeid in Nederlandsch-Indië’ met groote ingenomenheid aangekondigd; daartegen kwam v.G. op en hij formuleerde zijne bedenkingen op Akademische wijze in 13 theses, waaruit blijkt, dat de jong-koloniaal niet tot zijne jongeren mag gerekend worden. Het stukje wemelt van scherpe en hekelachtige gezegden b.v. 't Is ontegenzeggelijk, dat zeer velen met den schrijver, enkelen met den mensch Multatuli dwepen. Eén is er, (voor zoo ver mij bekend, tot heden de éénige) die zoowel den mensch als den schrijver Multatuli ‘vergoodt’; die ééne is . . . . . . Multatuli.

[p. 20]

In welk tijdschrtft de Beoordeeling van ‘Meinsma, Geschiedenis van de Nederlandsche Oost-Indische bezittingen (1e Deel, Delft, Joh. Ykema, 1872) eene plaats heeft gevonden, weet ik niet. Zij is onder de nagelatene papieren in een overdrukje (kl. 8o p. 669-684) voorhanden en gedateerd 2 Juli 1873.

Onze criticus brengt menige bedenking tegen het boek van den Delftschen Hoogleeraar in het midden, maar eindigt toch met het werk als handleiding voor den onderwijzer aan te bevelen. De koloniale kwestie is, volgens hem, eene nationale kwestie, aan wier oplossing ieder burger naar zijn vermogen behoort mede te werken. Dit besef is nog niet algemeen doorgedrongen; de grondslag van dit besef is kennis van de geschiedenis onzer koloniën, van den toestand, waarin zij actueel verkeeren, van hare verhouding tot het moederland. Dien grondslag wenscht hij daarom reeds in de lagere scholen gelegd te hebben.

 

In Nederland en Java, de Veertiendaagsche Courant der Maatschappij tot Nut van den Javaan (Jaargang 1872), leverde van Gorkom een reeks van hoofdartikels over de ‘Vervoermiddelen op Java’ die ik hier niet verder wensch te bespreken. Enkel meen ik nog de aandacht te moeten vestigen op een verslag der door hem te Utrecht en te Deventer gehouden lezingen, dat onder den titel ‘Moraliteit of Exploitatie’ in denzelfden jaargang van hetzelfde blaadje (15 Febr.) te vinden is.

Ferdinand von Hellwald, de redacteur van ‘Das Ausland,’ had in zijn ‘Ueber die Coloniën’ het exploiteeren der Koloniën de hoogste roeping van een kolonialen staat durven noemen en zich vroolijk gemaakt over de Principienreiter, die de menschheid naar ethische beginselen wilden hervormen. Hij dweepte met het Contingentestelsel der O.I. Compagnie en verklaarde dat het Cultuurstelsel van v.d. Bosch de bewondering had gewekt van alle denkende geesten.

[p. 21]

Onze spreker ontwikkelde daartegen zijn programma, dat luidde:

1o Individuëele grondeigendom; 2o Vrije beschikking der bevolking over haar tijd en arbeidsvermogen; 3o Rechtszekerheid voor personen en goed; 4o Een oordeelkundig en gelijkmatig drukkend belastingstelsel; 5o Goede en voldoende middelen van vervoer en communicatie; 6o Milde wetten en bepalingen ter bevordering van landbouw, handel en nijverheid en 7o Last not least, algemeen en goed ingericht volksonderwijs.

Maar het wordt tijd, dit overzicht zijner bemoeiingen met de koloniën in Azie, hoe gebrekkig ook, te staken: haar gaf hij slechts zijne vrije uren. Zijne geheele werkkracht zou hij van 1875-1878 aan een der Afrikaansche Republieken schenken, die in de laatste jaren de belangstelling ook van onze Maatschappij getrokken heeft, aan de Transvaal.

 

De werkkring, die hem door den Staatspresident Dr. Thomas François Burgers werd aangeboden, was evenzeer in overeenstemming met zijne wenschen als de persoonlijkheid van het edele hoofd dier republiek geschikt was om hem over alle en allerlei bezwaren te doen heenstappen.

Door zijne groote gaven, vooral als spreker, voelde v.G. zich geroepen tot eene meer schitterende, eene meer invloedrijke loopbaan. Dit gevoel van eigenwaarde werd gevoed door zijn verkeer in aanzienlijke en beschaafde kringen. Hij zou gaarne lid der Tweede Kamer geworden zijn en ongetwijfeld bezat hij de gegevens voor een goed volksvertegenwoordiger, hij de man van een stalen gezondheid, een gloeienden ijver en een reusachtige werkkracht.

Nadat zijne pogingen om dit doel te bereiken mislukt waren, kwam hij in aanraking met Burgers. In den jongen, stamverwanten staat, welks toekomst hem zoo verleidelijk werd voorgesteld, als 't ware minister van onderwijs te zijn en daar, op een hoog standpunt geplaatst, zijne denkbeelden te kunnen verwezenlijken, in plaats van als

[p. 22]

schoolmeester aan allerlei kleingeestige aanmerkingen bloot te staan - is 't wonder dat dit alles hem toelachte?

Aan het slot der redevoering, door hem als Superintendent-Generaal van opvoeding gehouden1, richtte hij de volgende woorden tot den voorzitter der Z.A. Republiek. ‘Toen gij mij in Europa riept tot de eervolle en gewichtige betrekking, die ik thans bekleed, schreef ik u, na eenige dagen van beraad: ‘Ik ben vol moed en illusie, maar ik gevoel het reeds nu, uwe persoonlijke en zedelijke kracht zal de mijne schragen en verhoogen. Zonder u zou ik de taak, die ik op mij nam, te zwaar achten om te dragen. Welnu, nog ben ik vol moed en illusie, maar levendiger en dieper nog dan toen, op dien 14den Juli van het vorige jaar, gevoel ik thans behoefte aan uw persoonlijken en zedelijken steun…

‘Indien ooit een listig vijand onzer Republiek’, zoo eindigt hij, ‘hij zij Jood of Griek, onze staatsschool mocht belagen, reken dan op ons als op uwen trouwen, onwankelbaren staf. Met u zullen wij het heilig palladium onzer nationale welvaart beschermen en verdedigen onder de leus ‘Overwinnen of sterven’ en met de vurige bede in het hart en op de lippen: ‘God met ons!’

Ieder weet, hoe weinig vruchten de Europeesche boomen, op Afrikaanschen bodem overgeplant, gedragen hebben!

Reeds uit de rede2, door mij aangehaald, blijkt dat de onderwijzer aan het hoofd der Staatsschool geplaatst, lidmaat moest zijn eener Protestantsche kerk en dat in iedere school in den bijbel gelezen en in de bijbelgeschiedenis onderwezen zou worden.

Hieruit werd bewezen, dat de wetgever niets minder

[p. 23]

bedoelde en bedoeld had dan de invoering der ‘godsdienstlooze’ school.

De spreker had echter, trots al deze voorzorgsmaatregelen, reden te gelooven dat zelfs op den kansel, in Gods heiligdom, ‘onze’ nieuwe staatsschool, dus ook ‘onze’ Volksvertegenwoordiging, die haar in 't leven riep, werd gehoond en gelasterd.

Mij dunkt, Burgers is in vele opzichten te vergelijken met Joseph II van Oostenrijk. Ook hij wilde zijn volk weldaden opdringen, waarvoor het nog niet rijp was en die het dus niet wenschte. In plaats van dankbare liefde oogstte hij slechts afkeer, ter vergelding van het zaad dat hij uitstrooide, en haalde de staf, die gekomen was om hem ter zijde te staan bij den moeilijken arbeid in den nog braak liggenden akker, zich slechts den haat op den hals van de krachtige maar onontwikkelde en streng orthodoxe of liever bijgeloovige boeren.

Eerst had hij met de Dopperpartij een hevigen strijd te voeren, en later kwam een verreweg trouweloozer, machtiger en daarom gevaarlijker vijand, de Brit.

En in dien strijd is van Gorkom, evenzeer als Burgers, bezweken1.

Bijzonderheden omtrent zijn werkkring in Africa kan ik niet mededeelen. Iemand, die hem in 1877 daar aantrof, maar wien ik vruchteloos om meer licht vroeg, schreef mij o.a. het volgende:

‘Wat ik mij echter zeer duidelijk herinner en altijd zal blijven herinneren, dat zijn des heeren v.G. onbegrensde

[p. 24]

humaniteit en onuitputtelijke goedhartigheid, zijn onverstoorbaar idealisme en zijn onafgebroken enthousiasme voor alles wat hem toescheen goed of schoon te zijn. Doch deze herinneringen zijn niet alleen de mijne, maar zijn gemeen aan allen, die den edelen man hebben gekend….

 

Over het onderwijs in de Z.A. Republiek schreef hij in het Weekblad voor het Lager-, Middelbaar- en Gymnasiaal Onderwijs eenige artikelen. Men vindt deze in den Jaargang 1877. (Febr. en Maart).

 

In 1878 was zijn werk daar afgeloopen: de schoone taak, waaraan hij gemeend had zijn verder leven te zullen wijden, was een bron van teleurstellingen geworden; de kasteelen, door hem gebouwd, waren gebleken luchtkasteelen te zijn. Evenals zijne vrienden hem te Rotterdam met een beklemd hart en diepe droefheid uitgeleide hadden gedaan, zoo ontvingen zij hem daar weder met opene armen. Al dadelijk werd de vraag gesteld: ‘Wat nu te beginnen?’ Immers het dagelijksche leven stelt zijne gewone eischen ook aan buitengewone mannen en vooral in ons klein land heeft het veel moeite in, wanneer men eenmaal buiten betrekking is geraakt, hetzij door, hetzij dan zonder eigen schuld, weer eene behoorlijke plaats aan de tafel des levens te vinden.

Van Gorkom had echter overal warme vrienden en onder deze was er één, wiens naam ik hier niet mag noch wil noemen, die het bewijs heeft geleverd, dat er nog in onze dagen, wat lofredenaars op den goeden ouden tijd ook te hunnen nadeele zeggen, waarachtige vriendschap bestaat, dat er nog eene toegenegenheid gevonden wordt, die zich niet bepaalt tot handdrukken en hartelijke woorden, maar die weet te helpen op eene kiesche wijze, waar een goed vriend inderdaad hulp behoeft.

Zoo werd ook aan v. G. het woord van den ouden dichter vervuld:

[p. 25]

Amicus certus in re incerta cernitur.

‘Zijn heengaan’, schreef deze mij nog onlangs, ‘is voor mij een onherstelbaar verlies; sinds 1847 voelden we ons door innige vriendschap in lief en leed nauw verbonden. Voor mij, die zoo weinig overhoud, is de leegte en het gemis van den besten man onuitsprekelijk groot’.

 

In het jaar 1880 gelukte het den vereenigden pogingen zijner vrienden zijne benoeming tot arrondissement-schoolopziener te Leiden door te zetten en eindelijk werd hij districts-schoolopziener te Goes. In de laatste betrekking vooral voelde hij zich geheel op zijne plaats. Niet dat hij niet liever zijne tente in eene stad van Holland had opgeslagen, maar zijn werkkring vormde daar zijn thuis. Hij leefde inderdaad voor zijne betrekking en nooit was hem eenige moeite te veel, wanneer het onderwijs of de onderwijzers die vergden. Zijnen onderwijzers was hij steeds een vriend in nood. Anderen te helpen was zijn grootste genot1.

Er ging echter geen jaar voorbij of hij was lid eener examen-commissie2 in een onzer groote steden, vooral in den Haag, en had er eene uitvoering van de Maatschappij van Toonkunst plaats, dan bracht de locomotief onzen nooit rustenden vriend spoedig naar de plaats waar iets goeds te hooren was3. Nooit verzuimde hij de hem aangebodene gelegenheid om bij den een of ander zijner goede vrienden eenigen tijd te verwijlen en, liefst tot diep in den nacht, over topics of the day te redekavelen.

Hij werkte onbeschrijfelijk vlug, zonder daarom vluchtig te worden en hierdoor was het hem mogelijk, behalve

[p. 26]

voor zijne ambtsbezigheden, nog zooveel tijd voor andere nuttige werkzaamheden, beschikbaar te hebben en, meer dan anderen, de genoegens van den gezelligen omgang te smaken.

In het conservatieve Goes eene afdeeling van den Protestantenbond te stichten was een werk, dat slechts een man als van Gorkom kon gelukken. Toen Dr. Soetbrood Piccardt, een prediker der nieuwe richting, de stad metterwoon verliet, besloot de schoolopziener langs dien weg in de behoefte aan godsdienstonderwijs in modernen geest te voorzien. Overal ging hij rond en hij wist door zijn bezielend woord spoedig der afdeeling 100 leden te verschaffen.

Waar iets goeds, iets nuttigs te steunen viel, was hij trouwens altijd gereed om te helpen en zijn adem blies leven in aan menige nuttige vereeniging. De afdeeling van Toonkunst, het Nutsdepartement, de Zuid- en Noord-Bevelandsche weezenverpleging vooral, zij allen kunnen het getuigen, wat hij voor hen is geweest1.

 

Het vorige jaar schijnt hij op een zijner haastige reizen van zijn krachtig gestel, dat misschien in de Transvaal reeds geleden had, te veel gevergd te hebben. In den Haag gekomen, voelde hij zich zoo ongesteld, dat hij spoedig in het ziekenhuis verpleging zocht. Hij vond er verlichting voor zijn lijden. Karlsbad zou hem geheel doen herstellen en inderdaad gevoelde hij zich daar opgewekt genoeg om het een en ander voor de journalistiek te schrijven. Spoedig was de tijd en de lust gekomen om zijn werk te hervatten: nog eerst zou hij enkele familieleden en vrienden bezoeken. Te Baarn echter bleek het spoedig, dat zijn kwaal verre van geweken was en 14 October 1888 blies hij, na zijn lang lijden met de hem eigene opgewektheid gedragen te hebben, ten huize van zijn zoon, Dr. v.G., arts te Heusden, den adem uit.

[p. 27]

Van Gorkom was een man van groote gaven; zijne kracht lag echter niet in hetgeen hij geschreven maar wel in hetgeen hij gesproken en gedaan heeft.

Wonderbaarlijk sterk was zijn geheugen, zoodat hij zonder ooit te falen, tot verbazing van zijn gehoor, eindeloos veel cijfers en jaartallen te zijner beschikking had. In zijne goede oogenblikken, en deze waren vele, sleepte hij zijn publiek met onweerstaanbare kracht mee; door zijne innige overtuiging en den gloed, die van hem uitging, wist hij de gemoederen ook van zijne gewoonlijk zoo kalme landgenooten in vuur en vlam te zetten. Hij bezielde, durf ik haast zeggen, niet zelden het onbezielde.

Als verontwaardiging zijne lippen en zijne stem deed trillen, voelde menigeen eene snaar in zijn boezem klinken, van wier bestaan hij vroeger zelfs niet gedroomd had.

Zijn geestdrift sloeg nu en dan tot heftigheid over: men vergaf het hem ter wille van zijn edel doel, van de goede zaak waaraan hij met geheel zijn ziel geloofde, een naïef en kinderlijk geloof, dat hem tot zijne laatste dagen bijbleef. En - had hij de overtuiging dat eene onderneming goed en schoon was, begreep hij dat zij krachtige steun behoefde, dan bleef het bij hem niet bij spreken maar dan werden de lendenen omgord. Van hoofdschudden en van de handen in den schoot te leggen was bij hem nooit sprake. Als Napoleon beschouwde hij niets als onmogelijk, ‘het moet kunnen’ was zijne leus.

Onverbiddelijk voor het slechte en de slechten, vooral in het onderwijs, had hij oog voor alle gebreken en nooden en rustte hij nooit voordat zijne hand gedaan had wat zij te doen vond.

 

Maar ik moet eindigen. Ik weet dat deze schets als letterkundige biographie geene waarde heeft. Het was mij dan ook niet te doen om het leven van een letterkundige te schrijven: dat was van Gorkom niet, en als zoodanig heeft onze maatschappij hem niet onder hare leden opge-

[p. 28]

nomen. Maar er is in haren kring ongetwijfeld ook plaats voor mannen van het ideaal, voor mannen van werkkracht, voor mannen, vol gloed en vuur waar groote maatschappelijke belangen door woord en daad moeten bevorderd worden, voor mannen in één woord, die om hunne edele eigenschappen, na hun verscheiden, eene groote leegte achterlaten, niet alleen in den kleinen kring hunner vrienden, maar ook op de verschillende posten, waarop zij geplaatst waren als wachters tegen domheid, bijgeloof, oneerlijkheid, Jansaliegeest en wat niet al; op posten, die zij trouw bewaarden en bewaakten, om ze niet te verlaten voordat een hoogere macht hen opriep.

 

Rotterdam, April 1889. J.B. Kan

 
.

1Dat de Wet van Mei 1863, houdende regeling van het middelbaar onderwijs, op deze reorganisatie van invloed was, behoef ik te nauwernood aan te stippen.
1Arnhem, D.A. Thieme.
1Amsterdam, G.L. Funke, 1868.
1Te Pretoria den 1 Mei 1876, bij gelegenheid van de opening der 1ste districtschool in den geest en naar het voorschrift der schoolwet van 23 October 1874. Gedrukt door Celliers en Rous, Kerkstraat, Pretoria, Z.A. Republiek.
2P. 14.
1Onder v.G.'s nagelaten papieren bevindt zich een gedrukt stuk aan de ‘Medeburgers in de vrije en onafhankelijke Z.A. Republiek!’ Het dient om federatie of confederatie, dat is bondgenoodschap onder de Britsche vlag, ten sterkste af te raden. De stijl en ook de warme verdediging van Burgers verraadt, dunkt mij, v. G.'s hand, maar het is onderteekend: Eenige vrije en onafhankelijke Burgers der Z.A. Republiek.
1Zie verder de Goessche Ct. van 15 Oct. 1888.
2B.v. voor het examen van candidaten voor de posterijen, het kadaster enz.
3Hij zelf beproefde soms zijne krachten aan het componeeren en aan het dichten van de woorden bij de muziek van een ander.
Zoo ligt naast mij: Onze nationale driekleur voor mannenkoor. Woorden van W.J. van Gorkom. Muziek van J. Worp. (Te Groningen bij J.B. Wolters, 1885).
1Zie de ‘Hervorming’ 20 Oct. 1888.